
Om te begrijpen hoe het zover heeft kunnen komen, moeten we terug in de tijd. Voorafgaand aan de standaardisatie en industrialisatie van de bouw, beschikten architecten over kennis van materialen die regionaal voorradig waren zoals (natuur)steen, klei, hout, kalk en metaal. Rond het einde van de negentiende eeuw veranderde dat. Toen gingen vooraanstaande bouwmeesters als Pierre Cuypers (1827 - 1921) en H.P. Berlage (1856 - 1934), die verzekerd waren van een constante stroom aan (betaalde) opdrachten, hun bouwmethode steeds verder economisch optimaliseren: bestaande technieken en methodes werden opgeschaald om de productie te versnellen of te vergemakkelijken. Omdat de bouwmeester niet langer in staat was het bouwproces van begin tot eind te overzien, ontstond de behoefte om dat proces te normaliseren en materialen te laten certificeren. Dit leidde bijvoorbeeld tot de oprichting van Het Nederlands Normalisatie-instituut in 1916, door de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel en het Koninklijk Instituut van Ingenieurs.
Inmiddels is de vrijheid van de architect in de toepassing van het bouwambacht aan vele normen en regels onderhevig. Niet alleen wordt deze afhankelijkheid steeds groter, ook hechten opdrachtgevers steeds meer waarde aan de voorschriften van de bouwindustrie en de overheid. De bewegingsvrijheid van de architect blijft daardoor slinken, en tegelijkertijd prijzen materialen of bouwmethodes, die mogelijk interessant zijn vanuit circulair- of milieuoogpunt, zich uit de markt. De bouwpraktijk is bovendien zo conjunctuurgevoelig geworden, dat langetermijninvesteringen in onderzoek en ontwikkeling van alternatieve materialen en bouwmethodes veel te riskant zijn geworden.

















