
meet the makers
Ontdek de makers, ontwerpers en architecten die werden ondersteund in 2024-2025. In videoportretten bieden ze een intiem inkijkje in hun creatieve praktijken.
Agatha Prieto Jeanty
vormgeving
Ontwerper en onderzoeker Agatha Prieto Jeanty (Design Academy Eindhoven, Contextual Design) onderzoekt thema’s als dekolonisatie, afrofuturisme en feminisme in relatie tot ruimte. Tijdens haar ontwikkeljaar verdiepte ze zich in ruimtelijk ontwerp en de techniek van het haarvlechten. ‘Vlechten was onder de Marrons één van de vrouwelijke bezigheden waarover ik meer wilde leren.’
Een belangrijk uitgangspunt in Prieto Jeanty’s werk is de fascinatie voor Marrongemeenschappen: de zelfbevrijde mensen in Abya Ayala (inheemse naam voor de Amerika’s) die tijdens de trans-Atlantische slavenhandel hun eigen nederzettingen stichtten. ‘Ik stam af van Marrons uit Haïti. Tijdens mijn master raakte ik nieuwsgierig naar de female gaze binnen deze gemeenschappen, in plaats van het dominante mannelijke perspectief.’ Eerder al ontdekte ze dat vlechten binnen de Marrongemeenschap niet alleen esthetisch of praktisch was, maar ook een strategie van verzet en overleving. ‘Vrouwen vlochten kaarten in het haar, routes naar vrijheid.’ Zelf maakte ze een gevlochten routekaart van Madrid naar Eindhoven, met plekken uit haar leven. ‘Voor mijn afstuderen vlocht ik een waterval uit Haïti, als manier om de stappen terug naar mijn wortels te volgen.’ Ze werkte hiervoor samen met haar gemeenschap in Eindhoven: een ervaring die haar deed beseffen dat ze dit onderzoek wilde verdiepen.
Ze maakte daarom een onderzoeksreis naar de Marrongemeenschap van het Palenque de Benkos en de Wiwa bevolking in het Colombiaanse Caribisch gebied, op zoek naar vrouwelijke Marron-perspectieven en een dieper begrip van haar eigen wortels. In San Basilio de Palenque trof ze een gemeenschap met een eigen taal, sociale structuur en orale tradities. ‘De openheid van de mensen daar raakte me. Ik voelde me gezien en gedragen.’ Haar verblijf bood waardevolle inzichten over de gemeenschap, vroeger en nu. ‘Deze belichaamde ervaring hielp me mijn perspectief te verbreden: dit is wat er ontbrak in de context van mijn leven.’
De reis naar Palenque draaide om het volgen van vrouwelijke perspectieven binnen de Marroncultuur, die vaak impliciet zijn. ‘Ik leg daardoor perspectieven bloot die zelden worden gehoord en vaak subtiel zijn.’ Ze combineerde interviews en ontmoetingen met 3D-scans van objecten en ruimtes, en legde zo de basis voor een nieuw narratief. Een narratief waarbij oude verhalen bijdragen aan mogelijkheden voor ontmoeting in de toekomst. Want met haar werk wil Prieto Jeanty ontmoetingspunten creëren en met de gemeenschap in verbinding blijven, via uitwisseling van ideeën uit de diaspora. Daarom verweeft ze de oude technieken, zoals haarvlechten en mondelinge tradities, met digitale media. ‘Ik zie mezelf als een Marron in de diaspora. Teruggrijpen op deze voorouderlijke kennis uit het verleden, is belangrijk voor toekomstige verbinding.’
Tekst door Priscilla de Putter
Anaïs Saebu
audiovisueel
Audiovisueel maker Anaïs Saebu is actief in de wereld van muziek, dans en performance. Sinds de start van haar bedrijf, vijf jaar geleden, werkte ze uitsluitend in opdracht. Nu is het tijd om te groeien als documentairemaker. Op zowel professioneel als innerlijk vlak is Saebu dit talentontwikkelingsjaar op onderzoeksreis gegaan. ‘Ik ben Nederlands-Indonesisch. Mijn opa en oma zijn geboren op Zuid-Sulawesi. Het Buginese volk waartoe ze behoren heeft een eigen taal en cultuur. Mijn vader, die in Nederland opgroeide, kreeg nog iets van die achtergrond mee. Maar hij gaf de tradities en de taal niet door aan mijn oudere zus en mij. Ik had de behoefte om me te verdiepen in dat onbekende stukje van mijn identiteit. Graag wilde ik met mijn vader en mijn zus op familiebezoek in Indonesië. Om daar de ontmoetingen en gebruiken vast te leggen in een documentaire.’
In totaal verbleef Saebu twee maanden op Zuid-Sulawesi en een paar dagen in Jakarta. Haar zus was haar research-assistent en met haar vader voerde ze vele gesprekken, die Saebu in beeld bracht. Haar coach, documentairemaker Amanda van Hesteren, was in Nederland haar klankbord. ‘Elke maand hadden we contact. Amanda is net als ik geïnteresseerd in familiebanden. Zij heeft wortels in Suriname. Ik voelde me eerst nogal bezwaard om de kennismakingen met mijn familie te registreren. Moest ik toestemming vragen? Dat was best lastig want vooral de oudere generatie sprak geen Engels. Alleen via mijn vader kon ik met hen communiceren. Amanda hielp me over mijn verlegenheid en adviseerde me om gewoon te filmen. Op andere vlakken bracht ze structuur. Omdat ik zoveel interessant vind, ging ik heel intuïtief te werk.’
Terug in Nederland, spreken ze elke vier weken ergens af. ‘Amanda helpt me nu met het edit-proces. Ik vind het heel speciaal om dit persoonlijke en gevoelige werk te maken, maar ook confronterend en mentaal veeleisend. Verbinden, andere perspectieven leren begrijpen, inzoomen op details. Ik heb zoveel beelden, van bruiloften, van de viering van de rijstoogst, van gesprekken met nichtjes over hun dagelijks leven in een cultuur waar religie een grote rol speelt. Hoe en waar te beginnen?’
Ook de innerlijke verwerking van de reis heeft volgens Saebu tijd nodig. ‘Voor vertrek had ik geen band met mijn familie daar. Nu wel. Wanneer zal ik ze weer zien? Het is een soort heimweegevoel. Dat had ik vooraf niet voorzien. Het is fijn om daar met anderen over te kunnen praten.’
Tekst door Iris Stam
Annelieke Rovers
vormgeving
Voor Annelieke Rovers, in 2020 afgestudeerd als ontwerper aan St. Joost School of Art & Design, betekende het ontwikkeljaar een kans om haar technische vaardigheden te verdiepen en zichzelf opnieuw uit te vinden als maker. ‘Natuurlijk maak je een plan, maar het is ook een jaar waarin je mag doen wat je wilt. Maken om het maken, heerlijk.’
Niet alleen maken, maar ook léren maken stond daarbij centraal. Rovers verdiept zich graag in klassieke ambachten en volgde dit jaar een gevorderdencursus glas-in-lood. Niet vanuit praktische, maar artistieke overwegingen. Ze wil geen glazen ramen ontwerpen, maar het traditionele ambacht als basis gebruiken voor nieuwe combinaties. ‘Vanuit het klassieke vakmanschap kijk ik wat ik met moderne technieken als 3D-printen en lasersnijden, en visuals, kan doen.’ Die kruising tussen oud en nieuw vormde ook haar aanpak bij metaalgieten, waarbij ze mallen maakte van 3D-geprinte modellen.
Waar Rovers technisch gezien haar expertise uitbreidde, bleef ze haar thematiek trouw. ‘De natuur is een grote inspiratiebron, van de weerkaatsing van licht op het wateroppervlakte tot de verborgen intelligentie van planten. De grootsheid en vergankelijkheid van de natuur blijft een rode draad in mijn werk.’ Zo werden ijsgrotten, koraal en schelpen bijvoorbeeld gedigitaliseerd, om uiteindelijk als glimmend aluminium kunstwerk te eindigen.
Het proces liep niet altijd soepel. Sommige paden bleken doodlopend of sloten niet aan bij wat ze zocht. Zo wil Rovers licht in haar werk integreren, maar sloot de cursus programmeren die ze volgde daar inhoudelijk niet op aan. Toch zijn deze zijpaden waardevol, omdat ze je leren waar je níet heen wilt. ‘Het blijft een zoektocht naar waar ik met mijn praktijk heen wil. Ik probeer mezelf steeds opnieuw uit te vinden.’ Die zoektocht ging ze niet alleen aan: ze had contact met uiteenlopende experts, van wetenschappers tot kunstenaars, en trok op met onder andere kunstenares Heleen Blanken en ontwerper Tharim Cornelisse. Met laatstgenoemde werkt ze nu aan een glas-in-lood installatie. ‘Dat soort samenwerkingen zijn een verrijking.’
Dat wat ze leerde, verwerkt Rovers nu in een installatie. ‘Hoe breng ik alles samen? Het kan nog alle kanten op.’ Niets staat vast; ook dat past bij Rovers’ werkwijze. Ze denkt aan een modulaire installatie, aanpasbaar aan de ruimte. ‘De locatie bepaalt zo veel. Buiten exposeren zou te gek zijn, al brengt dat nieuwe uitdagingen met zich mee. Het liefst maak ik groot werk, dat vind ik het leukst.’ Wat zeker is: het werk van Rovers blijft gevoed door verwondering over de natuur en een fascinatie voor het maakproces zelf.
Tekst door Priscilla de Putter
Batuhan Demir
vormgeving
‘Ik heb altijd de droom gehad een Oscar te winnen voor beste kostuum.’ Modeontwerper Batuhan Demir studeerde in 2023 af aan ArtEZ in Arnhem en droomt graag groots. Hij zoekt verschillende manieren om zijn verhaal te vertellen. ‘Ik werk multidisciplinair. Dit jaar leer ik van Esmay Wagemans met siliconen te werken.’ Ook specialiseert hij zich in het maken van korsetten bij Marloes Dadswell. Zijn nieuwe skills zet hij in voor het ontwerp van de outfits van zijn filmpersonages, voor een film waarvoor hij ook het scenario schreef. ‘Deze richting wilde ik graag onderzoeken, daarvoor werk ik samen met producer Gio Isenia.’
De film vertelt het verhaal van tien personages die geregeld hetzelfde troosteloze casino bezoeken: een plek waar mensen wegvluchten van de realiteit. Demir kent die wereld goed. ‘Mijn moeder werkt er ook. Het is een plek waar mensen uit gemarginaliseerde groepen komen, mensen die hun leefgeld vergokken. Ik wil hun verhalen op zo’n manier vertellen dat mensen zich ertoe kunnen verhouden.’ Eén personage is Jolanda, een prostituee wier zoon haar belangen behartigt. ‘Uit onmacht deed ze wat ze deed. Mijn moeder is ook op deze plek beland vanuit onmacht. Vanuit een ander perspectief wil ik naar deze mensen kijken. Voor mij gaat het over weerbaarheid, dat is mijn rode draad.’
Demir vertaalt maatschappelijke thema’s naar een ‘esthetisch universum’ waarin film, mode en kunst samenkomen. Voor elk personage maakt hij een outfit die het verhaal versterkt. Voor zijn moeder is dat een constructie waarbij het lijkt alsof een gespierde man om haar heen hangt – de eigenaar van het casino, een agressieve man. ‘Ik vergroot uit en gebruik kunsthistorische referenties, zoals Aristoteles en Phyllis (moraal: ook vooraanstaande mannen zijn niet bestand tegen aantrekkelijke vrouwen). Machtsdynamieken en vrouwen spelen een grote rol in mijn werk, omdat ik tegen vrouwen opkijk.’ Niet toevallig dus, dat de videoclip Telephone van Lady Gaga en Beyoncé een inspiratiebron vormt, net als de Italiaanse film Casanova.
Door te experimenteren ontwikkelt Demir zijn handschrift verder dit jaar, om te ontdekken wie hij is als maker. ‘Ik werk nu rauwer en poëtischer dan tijdens mijn afstuderen. Als je jezelf bloot durft te geven, maak je beter werk. De praktische uitvoering was zwaar, maar leerzaam.’ Voor de publicatie van zijn werk zoekt Demir de samenwerking met een magazine. Bij Focus in Arnhem hoopt hij in november zijn korte, trailer-achtige film te tonen. ‘De trailer is de aankondiging van een film, zoals dit ook mijn debuut is. De preview van de wereld die ik wil creëren.’
Tekst door Priscilla de Putter
Bruno Baietto
vormgeving
‘Ontwerpers zouden het meer moeten hebben over de problemen waar ze in hun vak tegenaan lopen – zoals hoe exclusief de designwereld nog altijd is,’ zegt critical designer Bruno Baietto. ‘Als we het hebben over achtergrond, klasse en gender is er nog veel ongelijkheid. We zitten in een systeem waarin een handvol scholen, instituten en mensen het voor het zeggen hebben.’ Baietto studeerde Industrieel Ontwerp in Montevideo, Beeldende Kunst in Rio de Janeiro en Contextual Design aan de Design Academy Eindhoven. Nu is hij erop uit de bevoorrechte bubbel van de gevestigde designscene door te prikken. Hij wil het vak toegankelijker maken voor een diversere groep.
Om zijn boodschap over te brengen, maakt hij graag gebruik van animatronics: bewegende poppen en objecten à la de Muppets, ET of de Gremlins. Met humor en satire onderzoekt hij hoe zijn personages kunnen aanzetten tot zelfreflectie en maatschappelijke dialogen. Zo creëerde hij tijdens zijn master op de Design Academy Eindhoven Justin the Dustbin, een mopperende vuilnisbak die cynisch commentaar levert op de eindeloze stroom ‘geweldige vondsten’ die toch altijd weer in de vuilnisbak belanden.
In 2023 werd Teun the Raccoon geboren, een verfomfaaide wasbeer die carrière wil maken als ontwerper en daarbij dezelfde barrières tegenkomt als startende ontwerpers in de praktijk: afwijzing, gatekeeping en andere systemische horden. Teun werd de tegendraadse mascotte van de Dutch Design Week dat jaar, die schaamteloos door ons designafval rommelde en kritische vragen stelde over wat nou eigenlijk beklijft van dat gigantische DDW-programma. ‘Door met karakters te werken lijken ontwerpbeschouwingen beter aan te komen bij het grote publiek,’ zegt Baietto. Dit jaar richt hij zich vooral op het ontwikkelen van skills op het gebied van storytelling en films maken. ‘Ontwerpers kunnen veel leren van rollenspellen en het schrijven van scripts, dat zijn krachtige instrumenten voor het maken van kritische narratieven.’
Gecoacht door professionals uit de filmwereld werkt hij nu aan een nieuw script voor Teun – samen met een tiental andere ontwerpers. Ze zijn aan het verkennen hoe collectieve vertelvormen kunnen uitmonden in een nieuwe methode voor ontwerpkritiek. ‘Als regisseur reik ik anderen een platform aan waar ze de ongelijkheid binnen het vakgebied bespreekbaar kunnen maken. Wie wordt als talentvol ontwerper gezien en wie niet? Wie telt mee en wie wordt buitengesloten?’ Met dit project wil Baietto de systeemwerking binnen de ontwerpindustrie blootleggen en bevragen. De film die dat begrijpelijk vertaalt voor het grote publiek gaat dit najaar in première.
Tekst door Willemijn de Jonge
buro Appelmoes
architectuur
Boukje Klaver en Anne Taeke Meijer leerden elkaar kennen op de Academie van Bouwkunst in Groningen. Tijdens en na hun afstuderen dronken ze op donderdagavond, na hun werk, vaak samen een biertje, om van gedachten te wisselen over hun vak. Meijer: ‘We bespraken waar we in onze sector moeite mee hadden. Dat was vooral de volgorde, gericht op consumeren: eerst ontwerpen, dan pas de materialen erbij zoeken, met weinig oog voor de herkomst van die materialen. Het schrijven van het plan voor het talentontwikkelingsjaar was voor ons een goede manier om concreter te formuleren hoe we de wereld van ontwerpen en bouwen graag zouden zien.’
Klaver: ‘We vinden het heel belangrijk om eerst naar de plek te kijken, waar het te creëren bouwwerk komt. Welke grondstoffen uit dat gebied zou je kunnen gebruiken? En hoe zou je die kunnen aanvullen met recyclebare materialen? Volgens deze methodiek willen we esthetische ontwerpen voor bouwwerken maken. Je kunt daarbij denken aan bankjes, overkappingen en schuren. Ontwerpen waarbij we niet te maken hebben met het bouwbesluit en strakke regelgeving. We zijn nu met onze jonge praktijk – Buro Appelmoes – op zoek naar opdrachten. De wat gekke en prikkelende naam is een metafoor voor onze ontwerpmethodiek. Want ook voor het maken van appelmoes gebruik je lokale materialen.’
Dit jaar richten Klaver en Meijer zich op een zelf geïnitieerd project waarvoor ze klei van verschillende plekken uit Noord-Nederland gebruiken. Meijer: ‘Daarvan maken we met een grote pers en een mal vierkante blokken, die eruitzien als krukjes. Die laten we in onze werkruimte drogen aan de lucht. En vervolgens zetten we deze zitelementen terug op de plek waar de klei vandaan komt. Zo creëren we bewustwording voor het gebruik van lokale materialen.’
Klaver en Meijer zijn erg blij met de coaching die ze dit jaar konden krijgen. En met de opgave van PeetersenDaan. Voor dit ontwerpbureau, gericht op landschap en stedenbouw, mocht Buro Appelmoes het eerste zitelement maken. Meijer: ’De klei komt van en het krukje komt op een plek in de buurt van Leeuwarden. Boukje en ik vinden het mooi om op deze manier Buro Appelmoes op de kaart te zetten en zichtbaarheid te geven aan onze nog niet zo gebruikelijke ontwerpmethodiek.’
Tekst door Iris Stam
Chris ‘Ci’ Rickets
audiovisueel

Audio-visueel maker Chris 'Ci' Rickets is geselecteerd tijdens de Scout Nights Amsterdam. In het ontwikkeljaar streeft de maker ernaar om zich meer uit te dagen en te leren over de methoden van geluidsopnamen en producties, en zich op deze wijze verder te profileren als sound designer. In het ontwikkelplan omschrijft Rickets vier leerdoelen waaronder persoonlijke ontwikkeling, praktijkontwikkeling, technologie- en designontwikkeling en professionalisering. De maker oriënteert zich het komende jaar in professionele netwerken, specifiek daar waar vrouwen van kleur, een praktijk hebben opgebouwd in audiotechniek en geluidsontwerp. Verder werkt Rickets aan het project Resting in Plain Sight samen met Black Speaks Back, Braver Spaces Antwerpen, Tahira Koulen en Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond. Ook experimenteert de maker met het gebruik van analoge geluidsopname technieken en focust zich op het verkrijgen van nieuwe opdrachten. Hiervoor gaat Rickets aan de slag met een communicatieadviseur en werkt aan een professionele website, perskit en branding strategie.
Clara Schweers
digitale cultuur
De kunstenaar en ontwerper Clara Schweers werkt op het snijvlak van ambacht en storytelling en vertaalt computergegenereerde bewegingen naar sculpturale glazen vormen. Vanuit haar atelier in Eindhoven heeft ze zich het afgelopen jaar ondergedompeld in de alchemische wereld van glas – een materiaal dat grote nauwkeurigheid vereist en daarmee bedachtzaamheid en volledige concentratie. ‘Glas is genadeloos, maar als je de taal ervan verstaat zit het vol mogelijkheden.’
Na haar master in design raakte Schweers gefascineerd door de wereld van glasblazen. ‘Ik wilde mezelf dwingen om uit mijn comfortzone te stappen en echt een ambacht te leren.’ Ze begon met fragiele glazen sieraden, een kleinschalige praktijk die haar technische precisie aanscherpte en de basis legde voor grotere neon sculpturen en installaties, glazen spiegels en bloemenstudies.
Schweers beschouwt haar werk als diep verankerd in het materiële en het digitale, ook al wordt het werk gepresenteerd in een driedimensionale glazen sculptuur. ‘Ik werk met materialen die in eerste instantie niet als digitaal worden beschouwd, maar mijn beeldtaal is afkomstig uit de virtuele wereld. Deze is vaak zeer sculpturaal en figuratief, maar ook symmetrisch en precies – een abstracte vormentaal die naar mijn idee een digitaal karakter heeft.’
Aan de hand van digitale storytelling doet Schweers onderzoek naar intimiteit en sensualiteit op scherm. Met behulp van 3D-modeling software manipuleert ze stock motion files om gewelddadige game engine bewegingen om te vormen naar intieme gebaren. Als we een halsbeet van een zombie bevriezen en manipuleren, kunnen we dan een glimp van genegenheid krijgen? Kan een hapering in de code een kus worden? ‘De kus is inmiddels nogal prominent aanwezig in mijn werk,’ verklaart ze. ‘Een kus is een symmetrische beweging. Daarmee kan ik een narratief en choreografie suggereren tussen ten minste twee personages in eindeloze configuraties.’
Om terug te komen op het glasblazen; deze digitale concepten worden geblazen, gebogen en met een brander bewerkt tot expressieve, fysieke vormen. ‘Ik probeer digitale taal toe te passen op het glasblazen met de brander,’ aldus Schweers. Als ze haar meest recente sculpturen beschrijft, schildert Schweers een beeld van glazen structuren die perfect gelast moeten zijn om niet te breken. Het leren van deze techniek was meteen een les in veerkracht. ‘Je raakt er goed tegen bestand dat dingen niet lukken, want dat hoort er gewoon bij.’
Door het herdefiniëren van de scheidslijn tussen het fysieke en het digitale, of dit nu met 3D-software of met een brander gebeurt, vervaagt Schweers de grens tussen lichaam en machine – totdat bewegingen voorwerpen worden en beide lijken te ademen.
Tekst door Roxy Merrell
Connor Cook
digitale cultuur
Mediakunstenaar en -onderzoeker Connor Cook, in Californië geboren, onderzoekt de relatie tussen het lichaam, performance en technologie. Met een achtergrond als wedstrijdcheerleader en een grote interesse in mediatheorie brengt Cook zowel een persoonlijk perspectief als academische zorgvuldigheid in wat hij ‘computerondersteunde performance’ noemt – een mix van fysieke beweging, informatiesystemen en machinelogica.
In zijn huidige onderzoek richt hij zich op cheerleaden als een technologische praktijk en kijkt hij verder dan het spektakel van de sport. ‘Bij cheerleaden worden lichamen machineonderdelen,’ verklaart Cook. ‘Het verbeeldt synchronisatie, taakverdeling en specialisatie – en vertaalt discipline naar een esthetische vorm.’ Vanuit het filosofische perspectief van de technologie en de informatietheorie herdefinieert hij cheerleading-routines als informatiecircuits die techniek doorgeven via het lichaam.
Volgens Cook is cheerleaden gebaseerd is op militaire precisie. Het vertoont overeenkomsten met robotica en mechanisatie. Maar hij voelt zich net zo aangetrokken tot de extatische excessen – de glitter, rhinestones en dragqueen-esthetiek – die de ‘totale mechanisering verwerpen ten gunste van extatische uitspattingen.’ Die dualiteit klinkt luid door in al zijn werk.
Door hardware en software te combineren, creëert Cook speciale audiovisuele systemen met behulp van motion capture, MIDI controllers en videogame engines zoals Unreal Engine, gekoppeld aan soundscapes die gecreëerd zijn in Ableton Live – tools die een vorm van digitaal poppenspel mogelijk maken. Bij zijn live performances reageert een virtueel cheerleading-team op real-time-input en zet code om in choreografie en computerverwerking in expressie.
Toen Cook ging samenwerken met het Nederlandse nationale cheerleading-team, draaide hij ook mee als één van de sporters. ‘Mijn perspectief veranderde er ingrijpend door – een evenwicht vinden tussen de meedogenloze lichamelijke eisen en de momenten van onwerkelijke schoonheid en intense synchronisatie.’ Het bracht een gevoel terug van collectieve verantwoordelijkheid, ‘iets zeldzaams in mijn gewoonlijk solitaire artistieke praktijk.’
Het afgelopen jaar werd gekenmerkt door gedurfd lichamelijk onderzoek. Cook stapte uit zijn comfortzone en stuwde de relatie tussen mens en machine in een nieuwe, performatieve richting. Het resultaat is een dynamische wisselwerking tussen het lichamelijke en het gecodeerde, waarmee hij de mogelijkheden van performance in het digitale tijdperk verruimt. Die mogelijkheden beginnen zich nog maar net te openbaren.
Text by Roxy Merrell
Daniela Tokashiki Kunigami
vormgeving
Het afgelopen jaar heeft social designer Daniela Tokashiki haar aanpak stilletjes aangepast. De artistieke praktijk van Daniela Tokashiki, die in Lima is geboren en nu in Nederland woont en werkt, is een mengeling van kunst, design, materiaalonderzoek en sociale verbinding – met keramiek als de kern. ‘Ik beschouw mijzelf niet echt als een keramist,’ zegt ze, ‘maar via klei kan ik diepere vragen verkennen.’
Tokashiki, die oorspronkelijk opleidingen volgde in industriële vormgeving en keramiek, begon haar ontwikkeljaar met een plan: onderzoeken hoe haar achtergrond in materialen een dialoog zou kunnen aangaan met de sociale structuur van een nieuwe omgeving. ‘Veel van mijn inzichten voor verschillende design-oplossingen en -keuzes vinden hun oorsprong in mijn ervaring met een bepaald materiaal.’ In eerste instantie had ze het idee om interviews af te nemen en gesprekken te voeren met anderen met een migratieachtergrond. Maar het proces keerde zich naar binnen. ‘Ik realiseerde me dat er nog heel veel in mij zat waar ik nog geen uitdrukking aan had gegeven,’ stelt ze. ‘Mijn artistieke praktijk werd introspectiever.’
Door deze blik naar binnen kreeg onderzoek een nieuwe rol in haar werk. In plaats van formele methoden te volgen begon Tokashiki op haar intuïtie te vertrouwen, begeleid door mentoren en een business coach die haar hielpen om de praktische stappen te verhelderen. ‘In het begin dacht ik dat ik echt het oordeel van deskundigen wilde, maar wat mij heeft geholpen is dat ik nu meer in mezelf geloof.’
Tokashiki beschouwt keramiek niet als een product, maar als een proces om mensen bij elkaar te brengen. ‘Dat ik met klei werk, wil niet zeggen dat ik producten wil maken,’ stelt ze. ‘Het is een manier om veilige ruimten te creëren voor verbinding.’ In haar recente werk onderzoekt ze hoe samen iets maken een voedingsbodem kan zijn voor nieuwsgierigheid en informele ontmoetingen. Bij haar huidige buurtproject in Den Haag gebruikt ze tactiele methoden – zoals klei, voedsel, wildplukken en handwerk – om gemeenschapszin en collectieve reflectie te stimuleren. ‘Het is een vorm van gemeenschapsvorming. Geen coachingmodel. Het zijn gewoon mensen die samen iets maken. Deze leergierigheid kan helpen om mensen met elkaar te verbinden.’
Een andere rode draad in haar onderzoek is het idee van reparatie. Ingegeven door de informele economie in Lima rond reparatie en herbestemming – alles van elektronica en kleding tot meubels – verricht ze nu onderzoek naar hoe ze keramisch afval weer in haar eigen productiecyclus kan integreren. ‘Ik wil iets kleinschaligs en zelfvoorzienends creëren, beginnen met een impact op mijn eigen niveau.’
De verbindende factor is een kalm maar vasthoudend streven naar creatieve, materiële en emotionele autonomie, geworteld in haar achtergrond en zich ontwikkelend via aanraking.
Tekst door Roxy Merrell
Delphine Lejeune
vormgeving
In de handen van de designer Delphine Lejeune krijgt digitale technologie een intiem, tactiel karakter. In haar artistieke praktijk combineert ze traditionele ambachtelijke technieken met hedendaagse fabricagemethoden en produceert ze voorwerpen die zowel emotioneel raken als een digitale precisie uitstralen. Via de lens van weven, keramiek en digitale sculptuur onderzoekt ze hoe instrumenten als het jacquardweefgetouw, de CNC-machine en de 3D-printer kunnen worden heroverd als verlengstukken van het lichaam. ‘Door digitale bestanden te vertalen naar tactiele vormen met een voelbare textuur wil ik voorwerpen creëren die technisch gecodeerd zijn, maar ook emotioneel resoneren.’
Gedurende dit hele ontwikkeljaar heeft Lejeune haar door haarzelf gedefinieerde aanpak van ‘neocraft’ verder ontwikkeld. ‘Voor mij is neocraft een postdisciplinaire aanpak waarin handmatig en machinaal, ambacht en code, geen tegengestelde begrippen meer zijn.’ De uiteindelijke werken zijn hybride vormen: textiele werken met botanische patronen die zijn geproduceerd met behulp van digitale natuurbestanden, keramische tegels die zijn gevormd door digitaal ontworpen mallen, waarbij elk item een organisch ritme suggereert zonder het te kopiëren. ‘Ik beschouw dit proces als een vorm van materiaalvertaling,’ verklaart ze. ‘Waarbij het digitale niet tegengesteld is aan het ambachtelijke, maar een partner in het maakproces.’
Dit grondbeginsel is te zien in haar serie geweven ‘data-oppervlakken’ en keramische sculpturen, waarbij visuele zachtheid gekoppeld is aan conceptuele striktheid. Bloemmotieven en organische herhalingen vormen een reflectie op interieurs en huishoudelijk werk, en de lang veronachtzaamde verbinding tussen vrouwen, de natuur en handwerk. In plaats van nostalgie oppert Lejeune een hedendaagse materiaaltaal waar algoritmische logica zorgvuldig is ingebed.
Terugkijkend op het jaar spreekt Lejeune van het belangrijke besef van hoe diep lichamelijk het maakproces blijft, zelfs wanneer het met geavanceerde digitale instrumenten tot stand wordt gebracht. ‘De machine staat nooit los van het lichaam,’ merkt ze op. ‘Het wordt een verlengstuk van de hand.’ Wat daarbij het meest opviel, was dat imperfectie en tactiliteit bleven bestaan: een actieve weerstand tegen de steriliteit die vaak wordt geassocieerd met digitale fabricage.
In de komende periode wil Lejeune haar beeldtaal, die ze via weven en digitale fabricage van mallen heeft ontwikkeld, verder verkennen en uitbouwen. Ook is ze van plan haar onderzoek naar ‘collectible design’ en ruimtelijk design uit te breiden. Daarbij zal ze zich inzetten om haar wortels in de handwerkgemeenschappen verstevigen, ‘om contact met anderen te leggen die de invulling van de hedendaagse rol van handwerk ook aan het herzien zijn.’
Tekst door Roxy Merrell
Dyllan Ahinful
vormgeving
Verhalen van dicht bij jezelf omzetten in concepten en die vervolgens visueel vertalen in kleding. Dat is de aanpak van Dyllan Ahinful, die tien jaar geleden in Amsterdam Zuidoost de basis van het merk L'ORIGINE legde. Een jaar daarvoor begon het verhaal van de autodidact, die zeker een goede stijl en gevoel voor mode had, maar nooit plannen had om daar daadwerkelijk iets mee te doen. Tot Ahinful in het laatste jaar van de middelbare school op zoek ging naar afleiding van de examenstress en een vriend opperde om toch iets met kleding te doen. ‘Ik antwoordde dat het dan wel iets speciaals moest zijn, omdat al zoveel mensen met mode bezig waren. Zo ontstond het idee om kleding te ontwerpen die mijn Ghanese identiteit weerspiegelt. Ik begon te creëren, samples te maken. Zo ontdekte ik mijn passie en talent.’
Met zijn vwo-diploma op zak besloot Ahinful geen creatieve opleiding te volgen, maar het modevak in de praktijk te leren. Hij bouwde het merk en de branding verder uit, met Ghanese elementen die hij op subtiele wijze in de kleding verwerkte, zoals de rood-geel-groene vlag en het ashanti-symbool in het label. De boodschap van L'ORIGINE werd: Roots Will Grow Flowers. Ahinful legt uit: ‘De plek waar je woont, het land waar je ouders en voorouders vandaan komen, trots, de dingen die je meemaakt, tegenslagen, levenslessen… Al die aspecten komen samen in het woord roots. Ik geloof dat je wortels je kunnen vormen tot een prachtige bloem of een mooi persoon, als je die ervaringen op een goede manier meeneemt. Ook in het nieuwe project Yenko Fie, dat Ghanees is voor “Laten we naar huis gaan” ligt de focus op terugkeren naar je roots en de lessen die je leert.’
Ahinful ontwikkelde zich het laatste decennium tot maker, creative director en ontwerper. Voor Yenko Fie ging hij twee weken naar Ghana, waar een collectie van vijf L'ORIGINE-stukken, gebaseerd op de tijdloze mode in het net onafhankelijke Ghana uit de jaren ’60 en ’70, werd vastgelegd in een korte film en outdoor fotocampagne. De samenwerking met lokale professionals was bijzonder en leerzaam. Het project liet Ahinful terugkijken op zijn eigen reis. ‘In het begin zag ik kleding vooral als business, nu begrijp ik dat mode ook kunst is. Ik wil me op dat terrein verder ontwikkelen. Net als op het vlak van film, design en creative direction. Ik hou van het totaalplaatje.’
Tekst door Iris Stam
Edward July
vormgeving
In taal is het verleden af te lezen aan de lettervormen. Toen lettertype-ontwerper en -onderzoeker Edward Dżułaj zich richtte op het Oekraïense alfabet, ontdekte hij een gelaagd narratief: over culturele veerkracht, politieke uitwissing en nationale identiteit.
Als oprichter van July Type is Dżułaj werkzaam op het snijvlak van design, taal en erfgoed. Het afgelopen jaar heeft hij het Oekraïense cyrillische schrift vanuit een persoonlijk perspectief onder de loep genomen. ‘Ik ben half Pools, half Oekraïens,’ vertelt hij. ‘Ik kan cyrillisch lezen en schrijven, maar ik ben niet in Oekraïne opgegroeid. Dit was voor mij een manier om een diepere verbinding tot stand te brengen.’
Door zijn opleiding als lettertype-ontwerper raakte Dżułaj gefascineerd door de vele betekenislagen die verankerd liggen in de taal. ‘Typografie is niet louter visueel,’ stelt hij. ‘Het is verbonden met de geschiedenis van naties, met poëzie en liederen en is uiterst politiek.’ In zijn onderzoek ontdekte Dżułaj hoe bezetters door de eeuwen heen het Oekraïense alfabet hebben beïnvloed en het hebben aangepast zodat het aansloot bij hun politieke doelen. Onder het Sovjetbewind in de twintigste eeuw richtten Russische beleidsmaatregelen zich op het Oekraïense cyrillische schrift: bepaalde letters werden verboden, de spelling werd hervormd om aan te sluiten bij het Russische gebruik, en drukwerk in de Oekraïense taal werd streng gecontroleerd. ‘Ik zag hoe schrift een instrument van dwang kan worden. Maar ook een symbool van verzet.’
Dit jaar heeft Dżułaj samengewerkt met Oekraïense dichters, lettertype-ontwerpers en dansers, van wie velen hun culturele beeldtaal nadrukkelijk weer opeisen. ‘Er heerst een nieuwe energie in de Oekraïense design scene,’ merkt hij op. ‘Ontwerpers herontdekken bepaalde vormen en ontwikkelen zo een duidelijk Oekraïense typografische identiteit die losstaat van Russische invloed.’
In zijn werk wisselt Dżułaj nu commerciële opdrachten af met onderzoekswerk. ‘Dit jaar heb ik het ontwerpen van lettertypes leren zien als cultuuruiting. Bij lettertypes draait het niet alleen om de esthetiek, maar ook om de geschiedenissen die erin verankerd liggen en de toekomsten die ze verbeelden.’
Dżułaj ontwikkelt ook digitale tools om historische schriften te visualiseren en ermee te kunnen werken. Maar het is geen geïsoleerd werk. ‘Ik realiseerde me dat ik niet alles zelf hoef te doen. Samenwerking vormt de basis van mijn werk.’ Momenteel ontwikkelt hij een voorlichtingsplatform waar de verborgen geschiedenis van het Oekraïense cyrillisch wordt verteld. Het platform, dat met kunstenaars en programmeurs wordt ontwikkeld, wil deze kennis toegankelijk maken. ‘Er is een veel diepere laag: de taal, het nationale erfgoed, de cultuur, de muziek en de poëzie. Dit zijn allemaal aspecten van identiteit.’ Vooruitkijkend stelt hij zich het platform voor als een open source tool die het cyrillische alfabet weer laat spreken – en dit schrift opnieuw verbindt met zijn culturele stem.
Tekst door Roxy Merrell
Eva van Kempen
vormgeving
De fascinatie van edelsmid Eva van Kempen voor filigrein is zo groot, dat ze er moeilijk níét over praat. Het specialisme is onlosmakelijk verbonden met haar praktijk. Haar ontwikkeljaar benut ze om haar eigen werk en visuele identiteit nieuw leven in te blazen, met verdiepend onderzoek, een nieuwe website en samenwerkingen. Maar als zelfbenoemd filigreinambassadeur en oprichter van The Filigree Embassy speelt het ambacht nu eenmaal een centrale rol in haar kunstenaarschap. ‘Ik wil er een eigentijdse draai aan geven en dat is een zoektocht.’
Van Kempen combineert eeuwenoude technieken met moderne methoden zoals 3D-printen en lasersnijden, waarvoor ze samenwerkt met TU Delft. Met hedendaagse materialen en technologie wil ze het filigrein opnieuw relevant maken. Dat is nodig, want de arbeidsintensieve techniek verdwijnt langzaam uit beeld. ‘Samen met granuleren is filigrein de oudste en moeilijkste verbindingstechniek binnen het goudsmeden,’ vertelt ze. In 2010 werd Van Kempen direct door filigrein gegrepen, tijdens een bijscholingscursus voor edelsmeden aan de Vakschool in Schoonhoven. Tijdens haar master (Sandberg Instituut) onderzocht ze vervolgens de staat van filigrein in China en Nederland. ‘In China herleeft het ambacht, in Nederland sterft het uit. Ik vind het belangrijk dat deze techniek voor toekomstige generaties bewaard blijft.’ Op basis van haar scriptie schreef ze een artikel voor het Journal of Jewellery Research, waarin ze strategieën deelt om immaterieel erfgoed als filigrein te behouden. Aan dat behoud draagt ze actief bij. ‘Ik onderzocht eerst allerlei niet-edele metalen als alternatief, waarbij rvs als winnaar uit de bus kwam. Vervolgens kwam ik erachter dat er verschillende soorten rvs zijn. Ook is de afwerking anders. Hoe meer je weet, hoe minder je weet.’ Werken met gevaarlijke stoffen en technieken zoals elektrolytisch polijsten maken het uitdagend. ‘Dit ontwikkeljaar geeft me de ruimte om iets te ontdekken waarop ik hierna kan doorontwikkelen en waarmee ik hopelijk een nieuw publiek bereik.’
Volgens Van Kempen is er in Nederland te weinig waardering voor het ambacht, ondanks de prominente rol in onze geschiedenis. Sinds 1600 is filigrein onlosmakelijk verbonden aan klederdrachten en streeksieraden. Kreeg het daardoor misschien een ouderwets imago? Hoe dan ook: Van Kempen toont dat het anders kan! In de tentoonstelling Bodemjuweeltjes in het Zeeuws Museum (Middelburg) is zowel het verleden als de toekomst van het ambacht te zien. Van Kempens werk bijvoorbeeld: een hexagon-raster van lasergesneden rvs met handgemaakte filigreinbloemetjes. ‘Ik vind dat het prachtig samenkomt. Daar waar de Zeeuwse knop ’s lands bekendste filigreinsieraad werd, zie je nu de traditie én de nieuwe draai die ik daaraan geef.’
Tekst door Priscilla de Putter
Flo Meijer
audiovisueel
Flo Meijer studeerde in 2021 af aan Central Saint Martins London, in de richting Fashion Communication. Mode, ontdaan van glamour, is de rode draad in het werk van de audiovisueel maker. Meijer zet mode neer tussen ‘normale mensen’ en verzet zich met haar films tegen de onbereikbaarheid die mode uitstraalt. In plaats van grootse gebeurtenissen in beeld te brengen gaat ze op zoek naar kleine verhalen. Meijer vertelt: ‘Ik probeer altijd op subtiele wijze een maatschappelijk thema aan te kaarten. De verborgen boodschappen of standpunten zie je wellicht niet meteen, maar vallen je later misschien wel steeds meer op.’
De Nederlandse identiteit is een terugkerend thema in haar werk. Haar huidige film Dutch Dreams, geproduceerd door mint2 in samenwerking met Lief, ontstond als reactie op het partijprogramma van de PVV. In het programma werd onder meer gesproken over het beschermen van ‘Nederlandse tradities’. Meijer: ‘In verkiezingstijd zag ik Wilders’ visie op Holland: met AI gegenereerde plaatjes toonde hij een Hollands landschap met alleen maar blonde mensen. In Dutch Dreams verzet ik me tegen dat idee van “Nederlandsheid” In mijn film zie je een molen, weilanden, koeien en andere typisch Hollandse decors die ik onder andere vul met tradities die zich afspelen in Nederland, maar die Wilders hoogstwaarschijnlijk niet als Hollandse tradities zou bestempelen. Zoals mijn in Indonesië geboren opa die een stukje spekkoek op een kadetje legt en een groep Surinaamse mannen die een zangvogelwedstrijd houdt. Ook zie je in mijn film het werk van diverse Nederlandse modehuizen, zoals Extreme Cashmere, Botter, Camiel Fortgens, KASSL Editions, G-star Raw, Lack of Guidance en Tim Christiani, die een kledingstuk met de titel Dutch Dreams maakte. Met dit project ben ik op zoek naar een nieuw soort modefilm, waarin elk merk een eigen scène heeft.’
Dutch Dreams werd op verschillende buitenlocaties gedraaid, met vaak veel cast, gekleed in de kleding van de modehuizen. ‘Een ambitieus plan, bleek bij de productie. Ik ben dankbaar voor al het werk van producenten Kathy Sihavong, Rosa Duvekot en Margo Mars. En voor alle andere samenwerkingen: met Jaap Velenturf, die de filmmuziek componeerde, Sandor Dayala die het goed vond dat zijn liedje werd gezongen, alle betrokken modehuizen, cameramensen Sami El Hassani en Bart Hoveijn, stylist en castingdirector Jip Boxstart en de rest van de geweldige crew. De film, nu in postproductie, gaat in première op Dutch Design Week 2025. Een jubelmomentje toen ik dat hoorde!’
Tekst door Iris Stam
Flora Lechner
vormgeving
Stel je een bloem voor gemaakt van aluminium – met scherpe randen maar toch fragiel. Deze visuele spanning vormt de essentie van de artistieke praktijk van de in Wenen opgegroeide ontwerper Flora Lechner – waar ruwe materialen en complexe vormen samenkomen, en handwerk een radicaal maar toch ingetogen statement wordt. In haar werk op het snijvlak van design, sculptuur en feministisch onderzoek speelt Lechner evenzeer met metaal als met betekenis.
‘In mijn werk draait het voor mij niet louter om de esthetiek,’ aldus Lechner. ‘Ik wil werken creëren die een verhaal vertellen en discussie stimuleren. Ik begrijp de wereld door te creëren. Ik begin met iets te creëren en denk dan pas na over waar de vormen en gebaren die intuïtief in me opkomen vandaan komen.’ Voor haar is dit een voortdurende dialoog tussen creëren en leren, waarin beide processen elkaar beïnvloeden.
Een terugkerend thema in haar artistieke praktijk is het ter discussie stellen van contrasten – hard en zacht, gestructureerd en organisch, minimalistisch en barok. Deze contrasten kruisen vaak culturele interpretaties van esthetiek omdat ze verband houden met ‘vrouwelijke’ en ‘mannelijke’ kwaliteiten.
In haar werk stelt Lechner de gendergebonden stereotypen van instrumenten en ambachten ter discussie. Ze trekt parallellen tussen lassen en naaien en omschrijft metaalbewerking als een vorm van kleermakerswerk. Toch heeft ze nog steeds het idee dat vrouwen vaak te maken hebben met vooroordelen bij metaalbewerking. In plaats van zich te verzetten, omarmt ze de tegenstrijdigheid: door industriële processen te gebruiken om fragiele, ambigue vormen te creëren die stereotypen van zowel het materiaal als de maker ter discussie stellen.
Haar creatieve aanpak wordt gekenmerkt door een evenwichtige verdeling van intuïtie en berekening. Vanuit platte patronen die doen denken aan kledingontwerpen snijdt, buigt en schroeft ze fragmenten vast tot dynamische composities. Door deze aanpak wordt de aandacht gevestigd op de relaties tussen individuele elementen en de manier waarop betekenis wordt gecreëerd via de compositie.
Lechner omarmt vrijheid van interpretatie door de toeschouwer en heeft liever dat haar werk aanzet tot dialoog dan dat het letterlijke boodschappen oplegt. Terwijl ze haar artistieke praktijk ontwikkelt via samenwerkingen en experimenten, bespiegelt Lechner: ‘Het hele jaar realiseerde ik me dat ik gewoon moet blijven doorgaan.’ Omdat haar stem is verankerd in materiaalverkenning en feministisch onderzoek nodigt die uit tot reflectie, dialoog, en een ingetogen terdiscussiestelling van conventies.
Tekst door Roxy Merrell
Gabriel Giordano
vormgeving
Ontwerper en ArtEZ-alumnus Gabriel Giordano combineert ambacht en sci-fi esthetiek met maatschappelijke vragen. Zijn ontwerpen onderzoeken zelfexpressie en de relatie tussen drager en omgeving, waarin zijn achtergrond als Venezolaanse immigrant een belangrijke rol speelt. Dit jaar staat voor Giordano in het teken van heroriëntatie en balanceren tussen conceptueel en commercieel werken. ‘Ik wil met mijn werk vooral verhalen vertellen.’
Aanvankelijk wilde Giordano zijn werk tonen tijdens Dutch Design Week of Amsterdam Fashion Week. Het liep anders: hij werkte aan diverse projecten, waaronder groepstentoonstelling Dark Ages in galerie 4bid. ‘Er komt zoveel bij kijken: van lichtplan en ruimtelijk ontwerp tot afspraken maken met het team en performers. Het was leerzaam, maar ook stressvol.’ De tentoonstelling werd geen plan B, maar een kans om zijn conceptuele werk te tonen. Het thema – de middeleeuwen – belicht de relatie tussen heden en verleden. Het suit of armor dat Giordano maakte, van maliënkolder, denim en laser-cut aluminium, symboliseert bescherming. ‘Werken met maliënkolder is een arbeidsintensief proces waarin heden en verleden, ambachtelijk werk en moderne techniek samenkomen. Een hoed met aluminium stukken dient als helm. Ik combineer hard en zacht, oude en nieuwe materialen.’ Giordano’s pak weerspiegelt een onzekere wereld én grijpt terug op zijn onveilige jeugd in Venezuela. ‘Ik herinner me een leven in angst. Er was veel geweld, maar ook de politie was onveilig.’ Identiteit vormt zo een rode draad in zijn werk: die van de kunstenaar, de immigrant en de mens in een veranderende wereld.
Zijn wens om meer conceptueel werk te maken, kreeg ook vorm in zijn doorlopende collectie Nomad. De modulaire stukken hieruit zijn, net als immigranten, voortdurend aanpasbaar. ‘We zijn honderden kilometers van ons thuis vandaan, passen ons aan aan verschillende culturen en temperaturen. Dat idee van aanpassing wilde ik in mijn werk opnemen.’ Zo ontwierp hij een pet van klittenband, waaraan oorwarmers bevestigd kunnen worden, en werkt hij aan een t-shirt met losse mouwen en kraag. ‘Immigranten moeten zich voortdurend aanpassen én zichzelf blijven. Die spanning wilde ik tast- en zichtbaar maken.’
Naast zijn lopende projecten wil Giordano een platform oprichten waar ook andere creatieven hun werk en exposities kunnen delen. Intussen zoekt hij balans tussen vrije projecten en commerciële opdrachten. Zo ontwierp hij voor TEARS een schoen. ‘Het leerde me meer over materiaalkeuze en productie.’ Het voelt alsof hij moet kiezen tussen zijn artistieke praktijk of het managen van merken. In gesprekken met coach Joeri de Vos en mentor Suzanne Oude Hengel reflecteert hij op dit vraagstuk. Het ideaal? Commerciële opdrachten inzetten om zijn vrije werk te financieren. ‘Ik hoef niet te compenseren, beide mogen er zijn.’
Tekst door Priscilla de Putter
Gino Martina
vormgeving
Bij Palu Palu – Papiaments voor ‘hout hout’ – creëert Gino Martina meer dan alleen een vorm. Via het hout van zijn eiland Curaçao verbindt hij geschiedenis, ecologie en herinneringen. Zijn project is verankerd in de politieke en poëtische lagen van de bomen van het eiland, die vaak worden geruimd zonder oog voor hun ecologische of culturele betekenis.
‘Vroeger begrepen we de waarde van deze bomen, niet alleen vanwege hun hout maar ook vanwege het water dat ze vasthielden in de grond,’ aldus Martina. ‘Nu wordt hun hout gezien als palu pa tira afo: iets om weg te gooien.’ Hij ziet herinneringen en betekenis in elke stam die hij in zijn werken verwerkt.
Martina vindt inspiratie in de lokale muziek, vooral in het lied No Bandona Korsou van Oswin Chin Behilia, dat het verhaal vertelt van Mou, een timmerman met zeven kinderen. Mou denkt erover om naar Nederland te vertrekken maar aarzelt: Ai, dushi Kòrsou, Dikon tur bo yiu ke bai Hulanda? [‘O mooi Curaçao, waarom willen al je kinderen naar Nederland vertrekken?’].
De kernboodschap van het lied is een oproep én een waarschuwing: een ontwortelde boom kan niet meer groeien. Dera mester dera: de wortels moeten bedekt zijn. Voor Martina is deze metafoor persoonlijk. Zijn eigen terugkeer naar Curaçao zes jaar geleden werd de basis van Palu Palu: een proces van opnieuw wortelen, herinneren en terugwinnen wat bijna verloren was gegaan.
Dankzij de ontwikkelbeurs kon Martina zijn baan opgeven en zich geheel wijden aan veldwerk, het verzamelen van hout van ontwikkelingssites en persoonlijke verhalen – zoals een vijftig jaar oude boom die bij een storm was omgevallen en het materiaal werd voor zijn sculptuur De drie zusters. Dit werk weerspiegelt de Caraïbische landbouwkennis, met name van het samen planten van pompoen, maïs en bonen.
Elke sculptuur vertelt haar eigen verhaal en put vaak uit culturele herinneringen. Zo nodigt één werk – een vaas in de vorm van een boom – bezoekers uit om bloemen op de takken aan te brengen waardoor ze van toeschouwers in deelnemers veranderen. Martina combineert autonoom werk met opdrachten en samenwerkingen en leert zo om een praktijk in stand te houden, zijn financiën te beheren en over te schakelen naar digital prototyping.
Zijn werk is verankerd in het Curaçaose landschap maar raakt aan bredere vragen: ‘Welke waarde hechten we aan materialen? Wiens verhalen worden herinnerd? Welke structuren willen we creëren: fysiek, cultureel en ecologisch? En wat laten we achter voor toekomstige generaties?’
Tekst door Gyonne Zafira
Hanna Rudner
architectuur
Tijdens haar studie bouwkunde woonde architect Hanna Rudner op een studentencomplex in Delft. Hier ontdekte ze hoe bewoners hechte gemeenschappen kunnen vormen. ‘We trokken veel samen op, organiseerden bijvoorbeeld grote diners en maakten muziek samen,’ herinnert ze zich. Die ervaring zette haar aan het denken: wat kan informele organisatie en gedeeld eigenaarschap betekenen op grotere schaal? Ze ontwikkelde haar praktijk rondom deze vraag en zocht naar autonomie om burgerinitiatieven te onderzoeken die zichzelf organiseren buiten overheden en marktpartijen om. Zo raakte ze betrokken bij buurthuis De Bol in Amsterdam-Noord, een voormalige sporthal die is geclaimd door buurtbewoners en maatschappelijk werkers. ‘Zij onderzoeken samen wat de buurt nodig heeft en spelen hierop in door voorzieningen en activiteiten te organiseren.’
Bij De Bol leerde Rudner over de soms complexe dynamieken die schuilgaan achter collectief gedragen plekken. Ze verdiepte zich in holacratie, een raamwerk voor een non-hiërarchische organisatiecultuur, en raakte steeds meer overtuigd dat het laten floreren van een gemeenschap een craft is. 'Zelforganisatie is bij gemeenschapsvorming essentieel, maar dat gebeurt niet vanzelf,' legt ze uit. 'Je moet er bewust mee aan de slag: leren hoe je samen beslissingen neemt, hoe je conflicten oplost. Het zijn vaardigheden die je alleen leert door ze toe te passen.’
Rudner brengt haar inzichten niet alleen in de praktijk bij De Bol, maar ook bij zelfbouw-wooncoöperatie Het Krakeel, waarvan zij mede-initiatiefnemer is. Het project, gepland in Den Haag, trekt veel belangstelling, maar vordert traag omdat het afhankelijk is van gemeente en projectontwikkelaars voor grond. Daarom zoekt Rudner ook theoretische wegen. Ze wordt hierbij ondersteund door dr. Torange Khonsari, een architect en onderzoeker verbonden aan de London Metropolitan University. ‘Op dit moment ben ik bezig om mijn inzichten en ervaringen om te zetten in publicaties en presentaties, zoals tijdens de Dag van de Ontwerpkracht. Ik zie het als een theoretische onderbouwing van mijn praktijk, maar ik hoop hiermee ook andere architecten te helpen om gemeenschapsgericht te bouwen.’
Wat Rudner dit ontwikkeljaar heeft verrast, is dat fotografie een belangrijke rol is gaan spelen in haar onderzoek. ‘Met mijn camera documenteer ik hoe gemeenschappen zelf de regie nemen over hun leefomgeving. Ik probeer dit proces zichtbaar te maken en ervan te leren. Ik vind het namelijk niet aan een architect om te bepalen wat mensen nodig hebben. Burgers moeten zichzelf organiseren om hun eigen gebouwen te ontwikkelen of bestaande plekken op te eisen voor wat hun buurt nodig heeft.’
Tekst door Kim Hoefnagels
Hsiang-Lin Kuo
vormgeving
Sinds de romantiek is de nietigheid van de mens tegenover grootse landschappen een veelvoorkomend thema in kunst, literatuur en populaire cultuur. Gebergtes vormen vaak het decor voor avontuur, bezinning en spiritualiteit. Maar hoe komt een 'berggevoel' tot stand, en heeft dit überhaupt met hoogte te maken? Wearables-ontwerper, kunstenaar en breiprogrammeur Hsiang-Lin Kuo groeide op in Taiwan, waar wandelingen in de bergen een vast onderdeel waren van haar dagelijks leven. Toen ze in 2021 startte met haar master aan de Design Academy en een eerste hike in Nederland ondernam, was dit compleet anders. 'Natuurlijk wist ik dat het plat zou zijn', vertelt Kuo lachend. 'Het was even wennen, maar het nieuwe landschap voelde snel vertrouwd.'
Na een technische fashion-opleiding in Taiwan, waar ze al bergkleding maakte, kreeg haar praktijk in Nederland een meer onderzoekende richting. Ze begon zich te interesseren voor de innerlijke bergervaring, en hoe kleding en uitrusting kunnen bijdragen aan de expressie hiervan: 'Ik geloof dat wearables een verlengstuk van ons lichaam zijn. Ik onderzoek hoe ze de relatie tussen mens en berg kunnen belichamen, zelfs bij afwezigheid van hoge fysieke bergen.'
Tijdens haar ontwikkeljaar verkent Kuo de viering van bergen in het platte Nederland. 'Door mijn veldwerk te vertalen naar nieuwe ontwerpmethoden wil ik breken met traditioneel modeontwerp', legt Kuo uit. Dit veldwerk bestaat uit wandelingen, bouldersessies en trainingen. 'Niet elke wandeling geeft me nieuwe inzichten, maar het is onmisbaar voor mijn creatieve proces.'
Ook verwierf Kuo meer technische ontwerpvaardigheden tijdens een residentie bij het Schoenenkwartier. Door haar fashion-achtergrond dacht ze schoenmaken snel te zullen beheersen. 'Maar de eerste schoen werd compleet anders dan verwacht – leer werkt heel anders dan textiel.' Tijdens de residentie ondervond Kuo al experimenterend hoe leer zich gedraagt, en ontwikkelde 3D-skills. 'Ik had nog nooit op die manier ontworpen. Deze werkwijze opende echt een nieuwe dimensie in mijn hoofd.'
Het technische traject en veldwerk documenteert ze via fotografie, schetsen, essays en video. Naast de presentatie van het schoenprototype op Dutch Design Week, komt er een publicatie en een film, die te zien is tijdens het Mountain Film Festival in Maastricht. 'Door dit proces te delen, wil ik een andere blik op bergen stimuleren. Om te laten zien dat verbinding met de bergen niet om hoogte draait, maar om gevoel.'
Tekst door Cato de Beer
Ilias Bardaa
vormgeving
‘Ik leef niet in punten, maar in komma’s,’ zegt visual storyteller Ilias Bardaa, ‘Ik ben voortdurend aan het verkennen, spelen, onderzoeken.’ In 2018 verhuisde hij een halfjaar naar Marokko, het land waar zijn ouders vandaan komen. ‘Dat was een innerlijke zoektocht,’ zegt hij zelf. ‘Ik voelde me hier niet meer thuis en wilde weer in contact komen met mijn heritage.’ Hij begon daar steeds meer te fotograferen en terug in Nederland werd hij aangenomen op de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Maar Bardaa besloot toch zijn eigen pad te volgen: hij zocht zijn eigen mentoren uit om zich onder hun vleugels verder te ontwikkelen.
In het project Maghrebine portretteert hij mensen met een Noord-Afrikaanse migratieachtergrond. Maghreb is de Arabische naam voor noordwestelijke deel van het continent waar Mauritanië, Marokko, Algerije, Tunesië en Libië onder vallen. Een gebied dat zo groot is als heel Europa, de mensen die er vandaan komen vormen een enorm spectrum van verschillende identiteiten. Dat zij hier in Nederland toch op basis van hun religie gezien worden als één groep met dezelfde problemen, stoort hem: ‘Ik wil de veelzijdigheid van al die mensen laten zien, de rijkdom belichten van de heritage die zij stuk voor stuk met zich meedragen.’
De kaart die Bardaa ontwikkelde is er niet om grenzen te benadrukken, maar om ze te verzachten. Met zijn portretten wil hij een gelaagd beeld creëren van mensen die ergens tussen de moderne westerse samenleving en de culturele tradities van hun ouders en voorouders hun weg hebben gevonden. ‘Het gaat over het vinden van de kracht om jezelf te zijn, en over het zoeken naar verbinding. Met dit verhaal wil ik mensen gewoon laten zijn wie ze zijn.’
Bardaa heeft een groep van creatieve makers om zich heen verzameld om de fysieke kaart van Maghrebine om te zetten in een interactief digitaal platform. Qasim Arif is kalligraaf en typograaf, Lamiae el Hajjaji zorgt voor het grafische ontwerp, Yvonne Lu is de webdesigner en Nour Awad de copywriter. ‘Met deze masters ben ik nu de wereld van digitale storytelling aan het verkennen,’ zegt Bardaa, die op de Dutch Design Week een prototype van het platform wil presenteren. ‘Zij laten mij nieuwe perspectieven zien, helpen mij mijn horizon te verbreden. Ik leer nu samenwerken met talenten uit verschillende discplines, die elk weer hun eigen migratieachtergrond hebben.’
Tekst door Willemijn de Jonge
Irene Ha
vormgeving

Irene Ha studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie af in de richting mode en veroverde als ‘Baby Reni’ al snel een plek in de wereld waar mode en kunst samenkomen. Haar werk was onder andere te zien in het Centraal Museum Utrecht, het Tropenmuseum Amsterdam en Design Museum Den Bosch. Bij het beschrijven van dat werk noemt ze een rijtje steekwoorden: ‘Kleurrijk en hyperoptimistisch, beïnvloed door jeugdcultuur, electropop, memes en een overload aan informatie.’
Als kind van Vietnamese vluchtelingen begeeft ze zich tussen twee culturele werelden in en zoekt ze naar verbinding tussen die twee. En daarbij beweegt ze steeds meer van draagbare mode naar autonome kunst. ‘Ik ben veel beeldender gaan werken,’ zegt Ha. ‘Ik maak geen collecties meer, maar losse stukken en installaties van textiel.’ Naast haar eigen makerspraktijk, cureert ze ook tentoonstellingen met werk van anderen. En daarmee tart ze de conventies graag. Met haar ‘Baby Reni Foundation’ organiseert ze exposities in eigen huis. Ha: ‘Ik wil het werk van kunstenaars uit de institutionele white cube setting halen; je kunt op afspraak thuis bij me komen kijken.’
De beurs van het Stimuleringsfonds gaf haar de vrijheid om de veelzijdigheid van haar makerschap te verkennen. Ze maakte samen met grafisch ontwerper Ken Wenrui Zhao uit New York een nieuwe website en ging op onderzoeksreis naar Vietnam. Daar deed ze een artist-in-residency bij A.Farm, waar ze zich anderhalve maand onderdompelde in de design scene van Ho Chi Minh City. ‘Ik heb me lange tijd niet zo verbonden gevoeld,’ zegt Ha. ‘Hier in Nederland ben ik gewoon een Aziatische maker, maar in Vietnam wordt onderscheid gemaakt tussen veel meer subculturen.’ Ze struinde er ’s ochtends vroeg de markt af op zoek naar materiaal om mee te werken, ging ’s avonds met jonge lokale ontwerpers de stad in en liet zich inspireren tot het maken van nieuwe installaties.
Die werden tijdens de open studio ter afsluiting van de residentie aan het publiek getoond: textiele sculpturen in de vorm van twee enorme strikken en een tafel met drankjes van epoxy, maar ook kleine aquarelschilderijen en riso print boekjes. Op de weg terug naar huis, maakte ze nog een tussenstop in Japan. ‘Daar heb ik met uitzicht op Mount Fuji veel gelezen en gereflecteerd op mijn werk, wat ik wil en wie ik ben. Uiteindelijk wil ik meer ruimtelijk gaan werken; ik maak niet alleen kleding, ik ben van alles.’
Tekst door Willemijn de Jonge
Izabela Slodka
architectuur
In het onderzoek van architect Izabela Slodka staat één vraag centraal: hoe kunnen productieve functies – zoals werkplaatsen, opslag en logistiek – een plek krijgen in de stad? Niet als geïsoleerde zones buiten de stad, maar als waardevolle, duurzame onderdelen van het stedelijk leven. Slodka’s aanpak begon met een heldere ambitie: haar ideeën over de ‘productieve stad’ vertalen naar een concrete case study. ‘Eén van mijn mentoren, Jan Kattein (Jan Kattein Architects, Londen), zei me dat als ik functies echt wil begrijpen en grip wil krijgen op circulair handelen, het beter is om met een case study te werken en lokaal te zien hoe alles procesmatig samenkomt.’ Die case study werd een circulaire hub op het terrein van de voormalige Suikerfabriek in Breda, ‘t Zoet. Alle industriële gebouwen zijn daar gesloopt om plaats te maken voor een toekomstige woonwijk. Stichting Bredase Bomen – die meubels maakt van gekapte stadsbomen – is er nu gevestigd en werkt met Slodka aan een nieuwe locatie, mogelijk gedeeld met andere bedrijven en deels toegankelijk voor het publiek. ‘We zoeken naar een manier waarop we duurzaam en circulair ondernemen, productie en opslag een plek kunnen geven in de stad, door het tegelijkertijd interessant te maken voor die stad.’
In plaats van direct te ontwerpen, verdiepte Slodka zich eerst in materiaalstromen, typologieën en gedeeld ruimtegebruik. Ze bracht samen met een landschapsarchitect gebouwen, structuren en materialen in kaart, sprak met ondernemers en verdiepte zich in hun processen. ‘Op basis van die kennis maakten we kaarten en diagrammen om zelf steeds beter te begrijpen hoe alles en iedereen werkt en wat er nodig is.’ Ze onderzoekt hoe bedrijven functies kunnen delen, hoe het ontwerp kan inspelen op hun behoeften en welke aanvullende functies de plek aan de stad kunnen verbinden. Zoals workshopruimtes voor de Hogeschool Breda, een expositieruimte voor BredaPhoto Festival of een informatiecentrum voor toekomstige bewoners.
Ondernemers betrekken bleek tijdrovend en vroeg om geduld. Mentoren boden waardevolle inzichten: Jan Jongert (Superuse, Rotterdam) begeleidde haar in een circulair ontwerpproces met meerdere belanghebbenden, Jan Kattein bood een perspectief op participatie binnen het ontwerpproces en Oana Bogdan (&bogdan, Brussel) droeg ideeën aan over functiemenging. ‘Hun feedback hielp me beseffen dat mijn project niet alleen een persoonlijk onderzoek is, maar van maatschappelijke waarde.’ Wat begon als een typologie-studie, groeide zo uit tot een concreet samenwerkingsproject met lokale impact.
Tekst door Willemijn de Jonge
JB Gambier
digitale cultuur
Achter de kunstenaarsnaam Jbstuff gaat een nieuwsgierige geest schuil. Kunstenaar en ontwerper JB Gambier lijkt mateloos gefascineerd door cycli van constructie en deconstructie. ‘Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in disfunctie,’ zegt Gambier, ‘en in de manier waarop we dingen creëren en weer vernietigen, en hoe we besluiten wat wel of niet werkt.’
Wat begon als speelse interventies met vervallen en afgedankte voorwerpen op straat – denk aan het repareren van een lantaarnpaal met een rol tape – groeide uit tot een felgekleurde wereld van doe-het-zelf-revival. Tape is nog altijd zijn signature material: een snelle oplossing die tevens fungeert als een metafoor voor herstel en veerkracht in een wegwerpmaatschappij. ‘De meeste artikelen die in de wereld worden geproduceerd zijn bedoeld om vernietigd te worden, dus gemaakt met een vervaldatum. De tape die ik gebruik is symbolisch – ik probeer de schade te herstellen die onze samenleving aan de natuur toebrengt.’ Met humor en subtiele ondermijning stimuleert zijn werk ons om hetzelfde te doen, om in te grijpen bij voorwerpen die volgens ons kapot zijn, om onze creativiteit te ontplooien en ze te manipuleren, verbeteren en opnieuw te verbeelden.
Meer recentelijk is Gambier doe-het-zelfmaterialen gaan combineren met digitale media om sculpturen, meubels en immersieve installaties te creëren – werken die toeschouwers in surrealistische omgevingen uitnodigen waar functie en fictie elkaar rechtstreeks treffen. Tijdens dit ontwikkelingsjaar wil hij in zijn werk de lijn tussen het fysieke en het virtuele vervagen. ‘Ik gebruik graag fantasie en fictie om het over disfunctie te hebben,’ verklaart hij, ‘zodat mensen gewone dingen in een nieuw licht zien.’
Gambier, die altijd al een enthousiaste gamer was en sterk door de gamecultuur wordt geïnspireerd, vervlecht krachtige narratieven en intense visuals in zijn werk. ‘Er gaat altijd iets van fictie schuil achter de dingen die ik maak,’ merkt hij op. ‘Een fantasie die er via de materialen insluipt.’ Door te experimenteren met videogame engines en 3D-software creëert hij rijkgekleurde cartoonachtige taferelen en hele nieuwe virtuele werelden – niet ter vervanging van zijn fysieke constructies maar om zijn narratieve universum te verruimen. Voorwerpen die hij heeft gemaakt worden gescand en in de digitale wereld geïntegreerd. Digitale sculpturen worden 3D-geprint. Het zijn experimenten die dialoog uitlokken tussen wat echt is en wat virtueel is, die spelen met onze perceptie en ze presenteren als onderling verbonden.
Het afgelopen jaar betekende een keerpunt: een diepere onderdompeling in de digitale cultuur waar absurditeit, storytelling en simulatie samenkomen. ‘Met mijn werk probeer ik menselijkheid, plezier en troost in een koude en beklemmende samenleving te brengen,’ reflecteert hij. ‘Er gebeuren zoveel wrede dingen om ons heen waardoor escapisme des te verleidelijker wordt.’
Tekst door Roxy Merrell
Josianne Coutinho
architectuur
De Arubaanse maker Josianne Couthino heeft zich het afgelopen jaar niet gericht op het verwerven van nieuwe kennis, maar op het herontdekken van de bestaande schatten van het Arubaanse landschap. Haar initiatief ontstond uit een ambitieuze visie: Couthino wilde onderzoek verrichten naar adobe koepelwoningen als een modern, betrouwbaar en milieuvriendelijk alternatief voor de traditionele Arubaanse lemen huizen – cas di torta genoemd.
‘Ik heb me altijd een activiste gevoeld,’ aldus Coutinho. ‘Sinds kort richt ik dat op erfgoed en huisvesting.’ In haar eerdere werk concentreerde ze zich op wildbescherming en milieueducatie. Adobe koepelwoningen trokken jaren geleden voor het eerst haar aandacht — hun zachte rondingen en geaarde vormen deden haar denken aan het eiland zelf, van de wespennesten van klei tot de holenuilen. Het voelde als een natuurlijke connectie, onderdeel van Aruba’s DNA.
Hoewel Couthino is opgeleid als grafisch ontwerper stortte ze zich vol overtuiging op de architectuur. Ze deed onderzoek naar de geschiedenis van cas di torta tijdens een rondleiding van het Arikok Park onder leiding van een parkwachter, bezocht Curaçao om technieken te vergelijken en reisde naar Italië voor een praktijkgerichte workshop bij het CalEarth Institute en Vide Terra. ‘Mijn vader heeft ons, met een groep van dertien mensen, geholpen om onze koepelwoning te bouwen. Dat proces van samenwerking met anderen heeft mij geleerd om vertrouwen te hebben,’ aldus Coutinho. ‘Ik dacht altijd dat ik alles alleen moest doen.’ In Italië viel het haar op hoe bewust de groep omging met elkaars fysieke grenzen. ‘Hun zachtmoedigheid en geduld sprongen enorm in het oog. Er sprak diep respect en empathie uit.’
Terug in Aruba ondervond Couthino moeilijkheden bij het bouwen van een volwaardige koepelwoning. Ze liep tegen problemen met vergunningen en bureaucratie aan. ‘Ik dacht dat de praktijk zich naar de theorie zou voegen, maar ik kwam erachter dat dat niet het geval was,’ gaf ze toe. Toch blijft ze vastbesloten. Binnenkort zal op land van haar familie een klein prototype worden gebouwd. Haar grotere ambitie is er nog altijd: ze wil een stichting in het leven roepen voor lemen architectuur op het eiland.
‘Voorlopig gaat het erom dat ik mijn kinderdromen aan het realiseren ben,’ aldus Coutinho. ‘Ik wil blijven leren, met name over adobestenen en verschillende koepelconstructies. Er valt nog zoveel te ontdekken.’
Tekst door Gyonne Zafira
Kai Udema
vormgeving
Grafisch ontwerper Kai Udema richt zich op het gedrukte object en de materiële kwaliteiten daarvan. In zijn praktijk gaat hij heel bewust om met productietechnieken, inkt, papier en bindwijzen. Zijn sterk visuele werk bevat vaak formele ideeën met een abstract karakter, vanuit een redactionele en typografische insteek. Udema vindt het interessant om samen te werken met kunstenaars en de content en ideeën die hem worden aangereikt visueel te vertalen. ‘Wat ik maak heeft een bepaalde leegte, wat ruimte biedt voor persoonlijke interpretatie. Ik probeer degene die het ziet, bewust te maken van de eigen kijkervaring.’
Udema is geschoold aan ArtEZ. In 2016 behaalde hij daar zijn bachelor Grafisch Ontwerp en in 2022 zijn master aan de Werkplaats Typografie. Enige tijd geleden verbreedde hij zijn praktijk en zette hij samen met Johanna Himmelsbach uitgeverij Soft concern hard concern op. Dit jaar oriënteert Udema zich op het ontwikkelen van een nieuw format voor toekomstige publicaties. ‘Ik werk aan een experimentele serie van los gepubliceerde drukvellen, rondom het thema uitputting. Al die edities moeten uiteindelijk één geheel vormen. Elke uitgave is compact maar bevat een overdadige hoeveelheid lagen en informatie. Mijn interesse is om hiermee het aspect van efficiënte productie in drukwerk te bevragen. De drukwereld draait op efficiëntie, dat wil ik misbruiken.’
Udema vertelt meer over het ontstaan van het idee. ‘Vorig jaar had ik een burn-out. Dat zette mij aan het denken over prestatie in de creatieve industrie. Kan je als maker presteren en produceren op een wijze die mentaal en fysiek niet belastend is? Bij uitputting kun je alleen in kleine stappen en in korte termijnen denken. In mijn project trek ik deze gedachte door naar een manier van uitgeven. Eén waarbij je door in segmenten te werken met dezelfde middelen – energie, materiaal, geld – maar verspreid over een langere periode tot een waardevolle uitkomst kan komen.’
Bij de uitwerking van het projectplan is Udema nu over de helft. ‘Ik ben met verschillende dingen bezig geweest, vooral gerelateerd aan mijn nieuwe rol als uitgever. Ik leer veel, onder meer over boekdistributie en -representatie. Gesprekken met Rudy Guedj, die al langere tijd uitgever is, en grafisch ontwerper Paul Bailey zijn behulpzaam. Ook de residentie bij Sitterwerk in St. Gallen was interessant.’ Udema besluit: ‘Dit jaar is een verzameling van verschillende ontwikkelvlakken: artistiek, zakelijk, en redactioneel. De komende tijd wil ik handmatige drukexperimenten doen. Daar ben ik nog niet aan toegekomen.’
Tekst door Iris Stam
Kati Qui
vormgeving
Voor de Curaçaose multidisciplinaire kunstenaar Kati Qui begint storytelling met stilte. ‘Ik voel me aangetrokken tot de verhalen die bijna uitgewist waren en breng ze tot leven in mijn poppenspel.’ Met haar handen, stem en nauwgezet vervaardigde poppen brengt Qui vergeten geschiedenissen voor het voetlicht. In haar werk combineert ze onderzoek, performance en voorouderlijke herinneringen, om met behulp van miniatuur figuren grotere waarheden te vertolken.
Het afgelopen jaar heeft Qui nieuw werk gecreëerd waarin ze zich richt op Chronicles of 30 di mei, Nanzi and Èzè, The (out)selling of our local beaches en Curaçaose kinderversjes (Un morkoi ku yama moi). Ze zijn allemaal verbonden met geschiedenissen van de ABCSSS-eilanden (Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten). Gemotiveerd door het grotendeels ontbreken van poppenspel in Curaçaose archieven, verdiepte ze zich in openbare collecties, schoolbibliotheken en mondelinge tradities.
Ooit hielp het poppenspel Qui bij haar herstel van een burn-out, door de combinatie van creativiteit, design en storytelling. Nu ziet ze het op de kaart zetten van het poppenspel als een manier om iets terug te geven aan de gemeenschap. Ze werkt samen met de nationale bibliotheek, scholen en centra voor cultureel erfgoed en biedt workshops en voorstellingen aan waarin historische feiten versmelten met fantasierijke verhalen.
Het proces vereist geduld en vertrouwen. Zelfs voor het verkrijgen van zoiets eenvoudigs als paña (kleding voor de poppen) of tela (textiel) worden vaak bestaande materialen aangepast, in plaats van iets nieuws te kopen. Recycling is onderdeel van haar artistieke praktijk. Voor speciale stoffen speurt ze, voordat ze online gaat kijken, onverwachte plekken af: bouwmarkten, speelgoedafdelingen of beddengoedafdelingen – zoals ze deed voor de vacht van haar ‘Quiuppet’-kat.
Ze maakte een serie poppen die in voorstellingen en workshop optreden. Het afgelopen jaar heeft ze op lokale festivals en in buurtcentra opgetreden en geëxperimenteerd met het combineren van poppenspel, projectie en geluid. Hoewel haar werk vooral gericht is op kinderen en gezinnen, maakte ze dit jaar ook een poppenspelvoorstelling voor volwassenen.
Bij het doceren van poppenspel als storytelling benadrukt Qui de eindeloze mogelijkheden: het ontwerpen van en optreden met poppen kan alle kanten op. Voor haar is het doel altijd verbinding: zorgen dat mensen zichzelf weerspiegeld zien in de verhalen die het culturele DNA van Curaçao vormen.
Tekst door Gyonne Zafira
Kotayaman Refwutu
vormgeving
Kotayaman Refwutu, van studio ARCHE, werkt op het snijvlak van ambacht en vormgeving, beeldende kunst, cultureel erfgoed, muziek en instrumentenbouw. Hij creëert tifa’s, traditionele membranofonen, waarin eeuwenoud Moluks ambacht, akoestiek, vormgeving en erfgoedbehoud samenkomen. Refwutu: ‘Cultureel makerschap zie ik als een weg naar zelfherinnering. Via klank, beeld en ambacht laat ik voelen dat wie we zijn vaak al in ons aanwezig is, een herinnering aan onze wortels en innerlijke rijkdom. Alles wat je nodig hebt om te creëren en te verbinden, zit al in je. Mijn tifa’s en kunstwerken zijn een uitnodiging daartoe: als stem van de gemeenschap en als drager van eeuwenoude verhalen voor toekomstige generaties. We hoeven het alleen te herkennen en tot leven te brengen.’
Momenteel is Refwutu bezig met het professionaliseren van studio ARCHE en het realiseren van de registratie van zijn vakmanschap. Dit omvat het opzetten van een website en het verdiepen van zijn kennis van akoestiek, materiaal en schildertechniek. Tegelijkertijd documenteert hij de geschiedenis, het maakproces en de betekenis van de tifa’. Over het projectidee vertelt hij: ‘Bij mijn zoektocht ontstond de wens om dit ambacht, dat dreigt te verdwijnen, te behouden en vernieuwen. Heel bijzonder was mijn onderzoek op de Molukken, waar ik verhalen en kennis uit de gemeenschap mocht ophalen. Door deze orale tradities te verbinden met mijn eigen inzichten en ambachtelijke ervaring, heb ik mijn vakmanschap kunnen verdiepen en verrijken. Ik heb geleerd dat intuïtief werken en ambachtelijke precisie inherent met elkaar verbonden zijn. Ze lopen in elkaar over en kunnen elkaar versterken. Daarnaast heb ik ervaren dat de echte ambachtelijke en handmatige vervaardiging van het instrument, ook op de Molukken, al bijna niet meer wordt uitgevoerd. Deze bevinding onderstreept het belang van de documentatie van mijn werkproces.’
Grote struikelblokken dit jaar waren het ontbreken van een leermeester en het gebrek aan historische bronnen: ‘Echte leermeesters ben ik nauwelijks tegengekomen, maar door te sparren met cultuurdragers, muzikanten en kunstenaars heb ik mijn urgentie en richting van mijn vakmanschap scherp kunnen stellen, in Nederland en op de Molukken.’
Ingrijpende persoonlijke omstandigheden brachten Refwutu’s ontwikkelproces tijdelijk tot stilstand. ‘Deze periode van vertraging en verstilling heeft echter onbedoeld een nieuw karakter aan mijn werk gegeven en is voor mij een symbool geworden van veerkracht en toewijding.’
Tekst door Iris Stam
Lei Nelissen
digitale cultuur
Bijdragen aan een eerlijker internet en mensen meer zeggenschap geven over hun online gegevens, dat is de ambitie van ontwerpend technoloog Lei Nelissen. Hij ontwikkelt digitale producten die bewustwording creëren over de impact van technologie en data. ‘Als we mechanismen beter begrijpen, is het makkelijker de kaders te schetsen voor de maatschappij waarin we willen leven.’ Dit jaar werkte hij daarom aan een installatie die manipulatie zichtbaar maakt.
Tijdens zijn studie hield Nelissen zich met de Algemene Verordening Gegevensbescherming bezig. Hij maakte een app die persoonsgegevens ophaalt en gebruikers inzicht geeft in welke data over hen wordt verwerkt. ‘Als je weet welke data waarom wordt gebruikt, kun je ook je recht uitoefenen om die te laten verwijderen.’ De praktijk toonde dat bedrijven vaak nog nauwelijks zijn ingericht op zulke verzoeken. ‘Ik vroeg gegevens op bij Tikkie en kreeg ze uiteindelijk op een USB-stick per koerier toegestuurd. Stel dat veel mensen dit doen? Veel bedrijven volgen de regel van de wet, maar zijn er praktisch gezien nog niet klaar voor.’ Het toont hoe juridisch denken botst met technische realiteit.
Dit jaar onderzoekt Nelissen hoe interfaces en algoritmes gedrag sturen. ‘Een cookiebanner met een enorme accepteerknop waarop je tien keer moet klikken om te weigeren is een vorm van manipulatie.’ Net als het eindeloos pushen van content. ‘Veel mensen denken dat er kwade bedoelingen achter zitten, maar het zijn systemen die roekeloos optimaliseren voor jouw aandacht. Alleen groei telt.’ Eén van de belangrijkste algoritme-thema’s is de menselijke hand daarin, legt Nelissen uit. ‘De feilbaarheid van algoritmes heeft menselijke motieven. Dat betekent dat we mensen die de algoritmes maken verantwoordelijk moeten houden, maar ook dat we die algoritmes kunnen vormen aan de hand van wat we wél belangrijk vinden.’
De uitdaging is om die complexiteit begrijpelijk te maken. ‘Ik zoek naar creatieve manieren om te balanceren tussen diepgang en begrijpelijkheid.’ Zijn nieuwste experiment is een tastbare installatie: een fysiek recommender system met schuifjes waarmee bezoekers het algoritme aanpassen. ‘Zo ervaren mensen direct het verschil en kunnen ze uit hun bubbel stappen.’ Nelissen wil met zijn werk niet alleen technologie inzichtelijk maken, maar bijdragen aan maatschappelijk debat en wetgeving. ‘Bedrijven gebruiken de wet vaak om risico’s in te schatten, ons kan het juist helpen om de gewenste samenleving te scheppen.’ De komende maanden werkt hij toe naar de Dutch Design Week, waar zijn installatie uitnodigt tot reflectie en gesprek. Het is de volgende stap in zijn ambitie: technologie ontwerpen die niet manipuleert, maar verbindt.
Tekst door Priscilla de Putter
Lydienne Albertoe
vormgeving

Lydienne Albertoe behaalde in 2018 de bachelor Graphic Design en in 2021 de masters Fine Arts en Design. Tot haar achtste woonde ze op Curaçao. ‘Ongeveer in het tweede jaar van ArtEZ werd mij duidelijk gemaakt dat ik een vrouw van kleur ben. Vanaf toen kwamen de thema’s racisme en diversiteit in een deel van mijn projecten terug.’
Als zelfstandig grafisch ontwerper maakt Albertoe werk dat is geworteld in sociaal en moreel bewustzijn. ‘Het brengt een dialoog teweeg tussen het persoonlijke en het publieke. Thema’s zijn identiteit, erfgoed, sociaal bewustzijn en zelfbewustzijn. Mijn boodschap is dat het tijd is om uit het slachtofferschap te stappen. We moeten een ontwikkeling doormaken, zodat we kunnen groeien en bloeien. Daar is moed, veerkracht en verzet voor nodig. Voorbij de maatschappelijke uitdagingen die het verleden en het heden met zich meebrengen. Gefocust op de toekomst, met de hoop dat het voor de volgende generatie anders gaat zijn.’
Met haar huidige project gaat ze dieper in op het onderwerp verzetsliederen. ‘Ik wil jong en oud met een visueel versterkt verhaal laten kennismaken met de op de plantages van Curaçao ontstane kunstvorm ‘tambú’. Het gelijknamige instrument werd traditioneel gemaakt van de drinkvaten op de slavenschepen. De door tambú begeleide liederen en dansen waren een manier om emoties als woede, verdriet, pijn en vreugde te uiten en informatie te verspreiden, met wijsheid en humor. Tambú was zeer subversief en eeuwenlang verboden en met geweld onderdrukt door kerk en de Nederlandse staat. In mijn jeugd werd er niet over tambú gepraat, maar het was er wel. Ik wil dat verborgen stuk van onze rijke, gedeelde geschiedenis uit de schaduw halen.’
Bij haar research in Nederland vond Albertoe materiaal in fysieke en digitale archieven. ‘Maar dat was bar weinig. Graag wilde ik naar Curaçao, om tambú in de praktijk te ervaren en geschiedenis die vooral mondeling werd doorgegeven te horen. Ik sprak met mensen, ging naar feesten en volgde twee workshops bij muziekdocent Rendel Rosalia, een tamburero. In zijn familie werd het bespelen van het instrument van generatie op generatie overgebracht. Samen met hem maak ik nu een boek. Dat is voor mij niet het eindresultaat, maar een vorm waarin ik informatie vergaar om zo de volgende stap te zetten. Dit project maakt me joyful. Het is een ontdekking om niet in mijn eigen hokje te blijven, maar op zoek te gaan naar samenwerkingen. Om tambú écht te begrijpen.’
Tekst door Iris Stam
Maarten Plomp
architectuur
Ontwerpen én bouwen; architect Maarten Plomp is altijd geïnteresseerd geweest in het snijvlak tussen beide disciplines. Hij onderzoekt dit jaar hoe hij zijn praktijk op dit terrein verder kan uitbouwen. In 2023 zette hij een studio onder zijn eigen naam op. Over zijn pad zegt hij: ‘De ontwikkeling van een architect verloopt traag. Je doet dit door middel van projecten, die vaak lang duren en lastig te krijgen zijn. Door de beurs heb ik ruimte voor zelfreflectie: wat is mijn kracht, wat inspireert mij en waar wil ik heen?’
Na het behalen van zijn master Architectuur aan de Technische Universiteit in Delft in 2016 werkte Plomp verschillende projecten voor architectenbureaus uit, voornamelijk in de woningbouw en in opdracht van woningcorporaties. Zo ontdekte hij wat hij in een ontwerp vooral waardeert: ‘Dat een bouwwerk een soort vanzelfsprekendheid uitstraalt, zowel in het gebruik als in de inpassing in de context. Als het lijkt alsof het er al een tijd staat en wanneer het niet erg opvalt, is dat voor mij vaak een goed teken.’
Naast een liefde voor vakmanschap heeft de architect een voorkeur voor pragmatische en eenvoudige oplossingen, en natuurlijke en eerlijke toepassingen van materialen waarmee de opbouw en samenstelling van het ontwerp af te lezen blijft. ‘Denk daarbij aan materialen met zo min mogelijk nabewerkingen, zoals volle bakstenen getekend door h et bakproces, blank aluminium of hout dat mooi vergrijst. Imitatie wordt vermeden’.
Over de werkwijze en de houding van de architect zegt hij: ‘De daad van het produceren en bouwen speelt een centrale rol in het ontwerpproces. Al vroeg probeer ik in te zoomen op de praktische uitvoering van het ontwerp. In het talentontwikkelingsjaar richt ik me op de vraag wat de rol van architecten is bij de technische uitwerking en realisatie van hun ontwerpen. De laatste decennia is de betrokkenheid op dit gebied steeds meer naar de achtergrond geraakt. Ik doe onderzoek naar de oorzaken, ik kijk hoe de samenwerkingen met uitvoerende partijen verdiept kunnen worden en experimenteer hoe uitgebreide realistische technische tekeningen, werkinstructies, opbouwschema’s en fysieke 1:10-maquettes het proces van bouwen inzichtelijk kunnen maken en eventueel zelfs na kunnen bootsen. Jan Peter Wingender van Office Winhov, Lieven Nijs van BLAF Architecten, Ruben Groot en Michael Tjia helpen mij hierbij. Het is heel fijn om deze ervaren en diverse professionals als sparringpartners te hebben.’
Tekst door Iris Stam
Mika Schalks
vormgeving
Als kind keek Mika Schalks graag naar de jeugdprogramma’s van de VPRO. ‘Ik hield van de absurditeit, de felle kleuren, de gelijkwaardige benadering van kinderen in Villa Achterwerk. Er was geen filter, bijvoorbeeld als het ging om seksualiteit. De jonge kijkers werden serieus genomen en kregen de wereld te zien zoals deze echt was.’
Deze vrije, onverbloemde aanpak inspireerde Schalks. In diens creatieve praktijk, gericht op het vertellen van queer-verhalen met behulp van handgemaakte illustraties en stop motion animatie, blijft de maker zoveel mogelijk met een kinderlijk perspectief naar de wereld kijken. ‘De visuele stijl die ik gebruik is overdreven. Met humor probeer ik de absurditeit van samenleving en regeltjes te bekritiseren. Ik wil een gevoel van verbondenheid creëren en een plek scheppen waar iedereen zich welkom voelt.’
Diens huidige werk in ontwikkeling, Het Flikkereffect, is een verdieping van Schalks’ eerdere werken over queerness in televisie en hoe dit visueel zichtbaar is, bijvoorbeeld door het gebruik van bepaalde kleuren en objecten, met name in programma’s voor kinderen. ‘Het eindresultaat wordt een korte film met animatiepoppen, een soort dragqueens, die ín een televisie wonen, fysiek, alsof ze de elektroden zijn. Deze karakters, gebaseerd op vrienden, passanten of mensen op een feestje, dragen outfits in de kleuren van pixels: rood, groen en blauw. De titel van mijn project verwijst niet alleen naar het flikkeren van een tv-scherm maar ook naar het woord waarmee mensen als ik nog altijd worden uitgescholden.’
De afgelopen tijd leerde Schalks vooral te vertrouwen op diens intuïtie als maker. ‘Mijn oorspronkelijke enthousiasme werd vroeger nogal eens geblokkeerd door gedachten als: wat kan er echt, is er geld voor, wil de persoon met wie ik wil samenwerken dat wel? Nu weet ik dat op al die praktische vragen vaak een simpel antwoord is.’
Schalks zat op de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Uit diens stage bij animatiestudio Holy Motion kwam een baan. ‘De helft van de week bouw ik aan sets, de andere dagen aan mijn praktijk. Ik zit dicht op het vuur, mijn mentor is Mascha Halberstad, een van de eigenaren van Holy Motion. Van haar en andere professionals probeer ik zoveel mogelijk praktische kennis op te doen, bijvoorbeeld op het gebied van materiaal of beweging. Ik observeer en heb al meerdere kleine opdrachten gekregen, die ik thuis of in de studio uitvoer. Stop motion animatie zit echt in je handen, hoe vaker je het doet, hoe beter je wordt.’
Tekst door Iris Stam
Mint Park
digitale cultuur

Mint Park, afgestudeerd in ArtScience aan het Koninklijk Conservatorium (2020), richt zich op geluid als multi-sensorisch materiaal en diversiteit in taal. Tijdens het ontwikkeljaar verdiept Park zich in artistieke en technische vaardigheden, theoretisch onderzoek, experimenten en positionering binnen de experimentele muziekscene. Park werkt samen met mentoren zoals Dillon Bastan, Brandon LaBelle en Thor Magnusson, en neemt deel aan een residentie bij het Sound Art Lab in Struer. Dit leidt tot de ontwikkeling van een nieuw instrument en diverse geluidsproducties, gepresenteerd via Unheard Records. Naast praktische doelen verkent Park ook de rol als maker, organisator en curator, ondersteund door marketingstrategieën. De opgedane inzichten worden gepubliceerd op een website, terwijl fysieke resultaten, zoals een album en een ruimtelijke geluidsinstallatie, worden gepresenteerd in het Bajesdorp-theater in Amsterdam. Met dit traject verkent Park een unieke positie binnen de hedendaagse sound art.
Nicky Vollebregt
vormgeving
‘Zie je die lijn?’ Voorzichtig legt Nicky Vollebregt één van de gesmokte lappen stof tegen haar schouder. ‘De vorm is volledig aanpasbaar en kan je weer helemaal terugbrengen naar één rechte lap stof.’ Het is nog een prototype, maar Vollebregt onderzoekt hoe ze met smokwerk kledingstukken – in dit geval een blouse – kan ontwerpen voor ultiem hergebruik. Op minuscuul niveau wordt elke steek uitgedacht. ‘Grappig genoeg ben ik eigenlijk nooit met mode bezig geweest. Het zijn altijd garens geweest die mij aangetrokken hebben. Garens voelen voor mij als de essentie. Het meest logische om mee te werken.’
Vollebregt studeerde af aan de Willem de Kooning Academie als productontwerper. Gaandeweg is ze meer met weeftechnieken gaan doen. ‘Inmiddels kan ik mezelf eigenlijk beter textielontwerper en -onderzoeker noemen. Op het moment werk ik voornamelijk aan onderzoekende, speculatieve projecten over onze relatie tot textiel. Hoe textiel ervaren en geconsumeerd wordt kan heel persoonlijk zijn, maar ook meer sociaal of cultureel gebonden. Hoe kan ik daar als ontwerper aan bijdragen?’ In haar werk kijkt Vollebregt hoe materiaaleigenschappen invloed hebben op de ervaring en het uiteindelijke gebruik van het textiel. ‘Door dit te onderzoeken, kunnen we bijdragen aan de langere levensduur van textielobjecten.’
Emotionele duurzaamheid is één van de belangrijkste pijlers voor Vollebregt. ‘Vaak wordt er naar duurzaamheid gekeken vanuit het idee dat een item op een gegeven moment weggegooid moet worden. Er wordt ontworpen met materialen die snel groeien en goed recyclebaar zijn. Maar liever ontwerp ik vanuit het idee dat het nooit weggegooid hóéft te worden.’ Met emotionele duurzaamheid streeft de ontwerper naar een verminderd verbruik van grondstoffen en energie door het aanmoedigen van langdurig gebruik van objecten. Het draait om de persoonlijke betekenis of emotionele waarde van een voorwerp die een eigenaar motiveert het te koesteren en te onderhouden.
Ze wilde haar ontwikkeljaar gebruiken om te zoeken naar haar plek in de creatieve industrie. Het stimuleerde Vollebregt om contact te leggen met andere professionals uit het veld. Zo ontmoette ze textielontwerper Milou Voorwinden, die haar dit jaar bijstond als mentor en met wie ze binnenkort naar Japan vertrekt. ‘Kobe, Osaka, Kyoto… Het wordt een textielgerichte rondreis om inspiratie op te doen, nieuwe samenwerkingen aan te gaan en te leren over lokale en traditionele ambachten, technieken en materialen. De ervaring die we daar opdoen, hoop ik in de context van mijn eigen praktijk te kunnen gebruiken.’
Tekst door Terry Harmelink
Noa Jansma
vormgeving
‘Hoe ben ik op deze planeet gekomen en wat doe ik daar als mens?’ Dat is de centrale vraag die onderzoeker en multidisciplinair maker Noa Jansma zich stelt. Het werk dat ze maakt en het medium dat ze daarvoor kiest staan altijd in dienst van het concept. ‘Het is het denken dat me inspireert. Ik ben gefascineerd door wat het zichtbare en wat het onzichtbare is van onze ervaring als mens. Welke fenomenen beïnvloeden het materiaal om ons heen? Vaak onderzoek ik wat we natuur noemen. Daar komen over het algemeen video-installaties uit, performances of programma’s met eten. Bij het onzichtbare kun je denken aan machtsstructuren, maar ook aan een meer filosofische constructie. Mijn boodschap is altijd dat niemand helemaal weet hoe we moeten leven. Dat kan onrustig maken, maar geeft mij juist een soort speelsheid. Ik mag zelf bepalen wat ik geloof, waar ik aandacht aan schenk.’
Jansma, die in 2020 haar bachelor Man & Communication aan de Design Academy Eindhoven behaalde, richt zich momenteel op twee projecten over voedsel. Het ene, over grootouders en kleinkinderen die met een GoPro-camera op het hoofd een gerecht van waarde uit opa’s of oma’s jeugd bereiden, is heel praktisch en al in een vergevorderd stadium. Jansma trekt daarbij op met de Nederlands-Japanse documentairemaakster en culinair schrijver Kiriko Mechanicus. Het andere project is volgens Jansma dromerig, filosofisch en nog niet zo concreet. Ze onderzoekt daarin wat het betekent om als mens gegeten te worden. ‘Ik vind het een spannende vraag, die voortkomt uit een droom die ik ooit had. Daarin vertelde een leeuw dat hij me ging opeten. Hij was niet boos, ik diende gewoonweg als voedsel. Ik besefte daardoor dat ik niets anders ben dan een prooi, zoals een gazelle dat ook is. Dat was een verwarrend maar tegelijkertijd ook simpel inzicht.’
Jansma vervolgt: ‘Ook door kleine organismen en microben worden we opgegeten. Nu en na onze dood. Alles is verbonden. Wat is dood, wat is leven? Wat is lichaam, wat is geest? Die dualiteiten vallen weg als je doorhebt dat je telkens in andere levens verandert. Ik duik in dit thema op elk niveau: praktisch, materialistisch, filosofisch, spiritueel en politiek. Boeiend maar ook overweldigend. Het is lekker dat ik dit jaar als tegenhanger het praktische project heb, waarin ik mijn vaardigheden in videowerk verder leer ontwikkelen. Kunnen switchen tussen denken en doen voelt heel comfortabel.’
Text by Iris Stam
Noa Mac Donald
vormgeving
Animator en mixed media kunstenaar Noa Mac Donald zoekt in haar werk de grens op tussen animatie en beeldende kunst. Tijdens haar studie aan de Willem de Kooning Academie (2023) werkte ze met technieken als risoprint, droge naald etsen en lithografie. ‘Het is jammer dat alles steeds sneller moet. Als je iets leuks vindt, wil je daar toch juist de tijd voor nemen?’ Voor Mac Donald is het maken zelf het doel, met ruimte voor imperfectie en handwerk.
Animatie combineren met textieltechnieken: het klinkt niet voordehandliggend. Toch is dit de focus van Mac Donalds ontwikkeljaar. Ze maakt twee korte mixed media films. Tijdens de COVID-lockdowns ontdekte ze textiel en de overeenkomsten met animatie. ‘Je werkt met patronen in pixelvorm. Dat voelde vertrouwd.’ Een samenwerking met het TextielMuseum bleek een keerpunt: ze maakte een korte animatie met een circulaire breimachine en raakte verslingerd aan het medium. ‘Het is tijdrovend, maar ook een vorm van verzet tegen de snelheid van de digitale wereld. Ik kies voor traagheid en aandacht, in plaats van snel en goedkoop. Elke animatie wordt bij mij ook een fysiek object.’ Zo wil ze animatie bevrijden van het louter functionele imago. ‘Animatie wordt vaak gezien als functioneel ontwerp, niet als autonome kunst.’ Dat spanningsveld werd benadrukt tijdens de expositie van haar afstudeerwerk. ‘Er kwam een vrouw naar me toe die vroeg: “Waarom zet je je handtekening er niet onder?” Bij een digitaal bestand zegt niemand dat.’ Ze vraagt zich grappend af: ‘Wat moet ik doen om als kunstenaar beschouwd te worden; elk frame beeldhouwen?’
Gaandeweg verdiepte Mac Donald zich ook in de culturele positie van textielkunst. ‘Textiel werd wereldwijd gezien als een “vrouwenhobby”, zelden als kunst. Dat wil ik in mijn werk voelbaar maken.’ In haar project verbeeldt ze de reis van een fictief meisje, geïnspireerd op het digitale speeltje Pixelchix (2005). ‘Alles is hyper-feminien en roze. Ik vroeg me af: wie bedenkt dat? En wat zegt het over de vrouwelijke archetypes die we kinderen tonen?’ Om grip te krijgen op haar onderwerp, begon ze met een gedicht. Daarna volgden tekeningen, een storyboard en experimenten. ‘Voor elke scène zoek ik een techniek die past: vilt bij kleine bewegingen, borduren bij meer dynamiek.’ Deze geborduurde frames en vilten scènes krijgen een plek naast de film. Binnenkort rondt Mac Donald haar eerste film af. Daarna wil ze haar werk exposeren, het liefst aan de muur in een galerie. Komt daar dan een handtekening onder? ‘Haha, ja, ik denk het wel.’
Tekst door Priscilla de Putter
Noukhey Forster
vormgeving
Mode als krachtig medium voor het uitdrukken van verscheidenheid, gelijkwaardigheid en empowerment. Dat is wat Noukhey Forster met zijn modelabel OHIM doet. Met betekenisvolle storytelling, vormgegeven in zijn ontwerpen, wil hij inspireren en nieuwe perspectieven de mode-industrie in brengen. ‘Sinds drie jaar zijn dat de perspectieven van zwarte mensen. Fashionprofessionals met een Afro-achtergrond zijn er altijd geweest, maar ze worden nog steeds te weinig gehoord en gezien. Waar werken ze? En welk pad bewandelden ze? Door diepgaand onderzoek en interviews, die ik vertaal in mijn kleding en ondersteunend beeld en decor, toon ik hun én mijn verhaal als zwarte modeontwerper.’
De artistieke ontwikkeling van autodidact Forster verliep organisch. ‘De liefde voor kleding en kunst was er al vroeg, maar ik koos eerst veilig voor een brede media-opleiding. Daarna rolde ik in het cureren van tentoonstellingen. Na verloop van tijd ontstond de behoefte om zelf iets te maken. Het was een uitdaging om te bedenken hoe. Met hulp van anderen werd dat steeds duidelijker. Zo kreeg mijn idee van het belichten van het zwarte perspectief in de mode geleidelijk aan meer vorm. Op een tentoonstelling die ik in 2023 cureerde, mocht ik ook eigen werk laten zien. De achtergrond en vaardigheden voor ontwerp en uitwerking van een collectie had ik nog niet helemaal in de vingers. Maar in de praktijk merkte ik dat veel mogelijk is. Door gewoon te experimenteren en te doen.’
Dit jaar gaat Forsters ontwikkeling verder. Hij ging naar Suriname om meer over zijn achtergrond te leren en ging daar op zoek naar elementen die hij in toekomstige ontwerpen kan verwerken. Momenteel is hij bezig met een collectie en een korte film in het kader van 750 jaar Amsterdam. Dit doet hij weer volgens zijn unieke aanpak. ‘Dit keer is storytelling van zwarte stadsgenoten, werkzaam in de mode, de leidraad. Waar ik voor mijn eerste project dicht bij mezelf bleef en alleen mannen interviewde, vertel ik nu ook het verhaal van vrouwen.’
Forster is zich aan het oriënteren op de toekomst. ‘Welke praktijk wil ik zijn? In mijn onderzoekmatige werkwijze gaat veel tijd zitten. Het is geen kant-en-klaarverdienmodel. Kan ik naast het hoofdwerk een meer draagbare kleding- en accessoireslijn maken die voor een grote groep beschikbaar is? Consultant en strateeg Margit van Looijen helpt me met keuzes en tijdspad. Ook koppelde ze me aan professionals uit de mode- en filmwereld. Dat is heel waardevol.’
Tekst door Iris Stam
Oscar van Leest
architectuur
Oscar van Leest houdt zich in zijn interdisciplinaire praktijk bezig met aspecten van audio(visueel) ontwerp, interactieontwerp, geluidsontwerp en ruimtelijke praktijken. Hij omschrijft zijn werk als zintuiglijk georiënteerd en verkennend, met ruimte voor voorstelling en verwondering. ‘Ik hoop dat één van de effecten is dat het uitnodigt om gefocust waar te nemen. Met name wat betreft geluid, maar ook als het gaat om de visuele ruimtelijke aspecten en contexten. Met mijn werk wil ik vragen oproepen die subjectief beantwoord mogen worden.’
Over zijn huidige project, ontstaan als een sonische en poëtische verkenning van het concept van feedback, vertelt Van Leest: ‘Met Apparatus richt ik me op de ontwikkeling van draagbare instrumenten en andere apparatuur die geluid genereren op basis van bewegingen en de ruimtelijke context waarin die bewegingen worden uitgevoerd. Het geluid dat hieruit voortkomt gaat op basis van feedback interactie aan met diezelfde bewegingen. Het project heeft zijn wortels in Studies on Disorientation, het werk waarmee ik in 2023 afstudeerde aan het Sandberg Instituut. Daarin stonden zelfgemaakte, draagbare instrumenten en de informatie die deze genereren centraal. Met mijn huidige project probeer ik deze fascinerende en complexe materie nog meer te omarmen.’
Van Leest richtte zich de afgelopen tijd op het herontwerpen van de wearables van zijn afstudeerproject, vooral op het vlak van responsiviteit en repareerbaarheid. Hij is nu bezig met het optimaliseren van het nieuwe en werkende prototype. Over de verdiepende periode waarin hij zijn kennis vergrootte, zegt hij: ‘Ik ben code, elektronica en microcomputers met hun intrinsieke eigenschappen nog meer gaan beschouwen als de materiële basis van mijn praktijk. Ik denk dat je dit zou kunnen vergelijken met een schilder die zijn verf niet alleen als middel of medium ziet, maar ook probeert te begrijpen hoe bepaalde pigmenten en chemische componenten ervan uiteindelijk het werk beïnvloeden.’
Na de focus op techniek onderzoekt Van Leest nu de expressieve ontwikkeling. Zijn coach is interdisciplinair kunstenaar en performer Ludmila Rodrigues. ‘Wat is er mogelijk, wat laat het instrument je doen? Wat is mijn rol op het vlak van faciliteren en waarnemen? Dat ben ik nu aan het verkennen. Ludmila biedt waardevolle perspectieven, die me niet alleen helpen meer te halen uit samenwerkingen die geaard zijn in beweging. Haar perspectieven helpen me ook om meer uit mijn solo-uitvoeringen te halen.’
Tekst door Iris Stam
Promphan Suksumek
vormgeving
Wat gebeurt er als je een Latijns lettertype ontwerpt dat begint bij de vormen van het Thaise schrift? Blijft het dan leesbaar? Die vraag vormt de kern van het ontwikkeljaar van Promphan Suksumek, typografieontwerper en in 2022 afgestudeerd aan de KABK in Den Haag. Ze stortte zich op bi-scriptueel ontwerp met als doel een nieuw lettertype te ontwikkelen dat start bij het Thaise schrift, in plaats van - zoals gebruikelijk - het Latijnse. Haar uiteindelijke lettertype verenigt beide. ‘Ik ben Thais, ontwerp Thai scripts voor mijn werk en vroeg me al een tijd af: wat gebeurt er als ik het ontwerptraject omdraai? Is een typografische brug slaan tussen deze twee schriftculturen mogelijk?’ Via experiment, onderzoek en het oprekken van creatieve grenzen beantwoordt Suksumek die vraag. Ze lanceerde daarnaast een online archief van Thaise volkslettering, dat een waardevolle bron van inspiratie is voor andere ontwerpers en onderzoekers.
Suksumek bracht haar jaar ‘tussen twee schriften’ door. Dat jaar bracht vrijheid én onzekerheden. Zo startte ze nu vanuit speelse vormexperimenten in plaats van kalligrafie: de klassieke basis voor veel Latijnse lettertypen. Het loslaten van conventies voelde onwennig. Daarnaast mocht ze dit keer ‘spelen’ en zelf bepalen, in plaats van naar de pijpen van opdrachtgevers te dansen. ‘Vaak heb ik een klant en doelgroep, maar nu weet ik niet eens of er iemand zit te wachten op wat ik maak.’ Door zich minder door logica en meer door gevoel te laten leiden, groeide haar motivatie. ‘Als ik mijn hart volg, blijf ik nieuwsgierig en gemotiveerd. Ik probeer meer emotie te betrekken bij mijn beslissingen en niet alles te rationaliseren.’
Ze ontwierp een lettertypefamilie en liet zich coachen door experts uit Thailand, India en Maleisië. Voor bevestiging wendt ze zich tot een Thaise professor die gespecialiseerd is in de geschiedenis van Thai typografie. ‘De experts die ik om advies vraag, gebruiken Latijns schrift in het dagelijkse leven, maar zijn in de maatschappij waarin ze leven bekend met het schrift met Indiase oorsprong.’ Van alle fasen – schetsen, keuzes maken, en uiteindelijk digitaliseren en produceren – kijkt Suksumek het meest uit naar de laatste: het moment waarop haar lettertype te downloaden en te gebruiken is door grafisch ontwerpers, drukkers of andere creatieven. ‘Ik ben benieuwd naar de toepassing en naar de feedback die ik krijg. Maar eerst moet ik iets goeds afleveren.' En dat betekent durven vertrouwen op haar intuïtie, keuzes maken, verfijnen en testen. Niet alleen de letters, maar ook het proces doorloopt ze daarbij van A tot Z.
Tekst door Priscilla de Putter
Romy Zhang
audiovisueel

Autodidact beeldmaker Romy Zhang is geselecteerd tijdens Scout Night in Rotterdam. Zhang combineert in haar interdisciplinaire artistieke onderzoekspraktijk audiovisueel makerschap, social design en sociologisch onderzoek. Ze richt zich op grootstedelijke uitdagingen, jongeren, mensen van kleur en vrouwen. Met Politicizing her Madness maakt Zhang een korte film en digitaal archief over hoe vrouwen van kleur ziek worden gemaakt door een sociaal-politieke systeem. Ze wil haar technische vaardigheden in fotografie en film verfijnen, inhoudelijk en methodisch doorontwikkelen in social design, een strategie voor een duurzame praktijk ontwikkelen, en haar persoonlijke artistieke identiteit los van de collectieve acties, commercie en culturele instellingen onderzoeken.
Rosana Escobar
vormgeving
De Colombiaanse bioloog en textielontwerper Rosana Escobar gaat met haar onderzoek en kunst terug naar de oorsprong. In haar werk verweeft ze nieuwsgierigheid naar de aard van ruwe materialen, de omgeving waar ze groeien en de ambachten, gereedschappen en verhalen die daarbij horen. Zo deed ze in haar vaderland vijf jaar research naar de agaveplant. Ze dook in de verandering van vezel tot koffiebaal en keek daarbij naar de maatschappelijke, ecologische en politieke aspecten. Ook vormde ze agavevezels naar objecten die op het lichaam gedragen kunnen worden. ‘Met mijn kunst onderzoek ik hoe ik de materialen zeggenschap kan geven. Ik werk altijd met het ruwe product, omdat ik het gevoel heb dat het gesprek dan echt op gang komt. Ik regisseer dat niet, de vezel laat zelf weten welke kant het op wil.’
Gedreven: ‘In de massaproductie op de wereldmarkt zijn materialen geduwd in de identiteit van het gebruik. Consumenten zijn daardoor losgeraakt van waar dingen van gemaakt zijn, dat producten een bron hebben, dat ze een levend organisme zijn voordat ze worden gebruikt. Weinig mensen weten nog dat een linnen shirt bijvoorbeeld van het gewas vlas is gemaakt.’
Met haar huidige project The FiberLAB onderzoekt Escobar het gebruik van ruwe vezels in kapsalons. Ze ziet de kapsalon als een speelse plek die ruimte biedt aan uitproberen, verwondering en dialoog. ‘Hoe zou het zijn als iemand een extensie of een pruik van planten draagt? Verander je dan de identiteit van de mens en van de plant? Bij mijn eerdere onderzoek in Colombia ontdekte ik dat de vezel van agave lang en breed is, heel mooi is en zich gedraagt als menselijk haar. De afgelopen tijd maakte ik prototypes van pruiken, in samenwerking met pruikenmakers, die mij van alles over de constructie vertelden. Ook ben ik bij een kapster geweest en zij bij mij, om te leren over elkaars gereedschappen en technieken. Het kappersvak is een ambacht, ontdekte ik door dit project.’
Na verschillende tentoonstellingen rond de agavevezel stelt Escobar haar praktijk nu open voor toepassing van haar methodiek op andere vezels dan agave. ‘Bijvoorbeeld vlas. Onlangs ging ik een samenwerking aan met Craft Council Netherlands. En in TextielLab Eindhoven leerde ik veel over het ontwikkelen van meer de industriële benadering voor andere toepassingen met natuurlijke vezels. Ook bezocht ik plekken in Spanje en Nederland waar vlas verbouwd en geoogst wordt. Alles bij elkaar een ontzettend leuke ontdekkingsreis!’
Tekst door Iris Stam
Roxana Rodriguez
vormgeving
Hoe vertel je een verhaal dat groter is dan jijzelf? Voor de Arubaanse illustrator Roxana Rodriguez begon het antwoord met stripverhalen: korte beeldverhalen over cultuur, herinneringen en de mensen die deze doorgeven. Wat begon als een onderzoek naar erfgoed groeide uit tot een daad van herdenken – niet louter namen, maar ook vaak vergeten stemmen en nalatenschappen.
Rodriguez’ aandacht verschoof van het brede idee van ‘cultuur’ naar de individuen die deze vormgeven. Via de Fundacion Mi Cutisa, en in het bijzonder Ruby Eckmeyer, kwam ze in contact met mensen die deze individuen zouden kunnen traceren. Een van hen is Bernadina: een van de eerste Arubaanse vrouwen die zich aansloot bij de Arubaanse tumba-muziektraditie, die lang door mannen werd gedomineerd. In 1977 vertolkte Bernadina Galiña den Carnaval op het Tumba Festival als de enige vrouwelijke deelnemer. ‘Toen ik ontdekte wat Galiña den Carnaval betekende en wat Bernadina voor anderen mogelijk had gemaakt, wist ik dat haar verhaal moest worden verbeeld,’ aldus Rodriguez.
Een andere centrale figuur is Vicente, nauw betrokken bij de ‘Dande’ nieuwjaarstraditie en ingebed in de Arubaanse agrarische geschiedenis. Hij is een van de meest geliefde culturele figuren in tambú binnen Dande en werd officieel erkend door de Arubaanse regering als een Gran Baluarte Cultural (uitmuntend cultureel bastion). Rodriguez had eerder meegewerkt aan een documentaire over Vicente en vertaalt momenteel zijn verhaal in strippanelen.
Tekenen is altijd Rodriguez’ medium geweest, maar een leven comprimeren tot een paar frames is een uitdaging. Om haar storytelling-kwaliteiten te verbeteren volgde ze online cursussen in narratieve ontwikkeling en het digitaal creëren van strips. Ze ontwierp nieuwe Procreate-penselen en koos voor een koeler blauw palet, anders dan haar gebruikelijke warme tinten, waardoor de serie een eigen visuele identiteit kreeg.
Het werk zal zowel online als offline te zien zijn. Op haar website geeft Rodriguez een kijkje achter de schermen en deelt ze interviews en een routekaart voor aankomend striptekenaars. Offline zullen de verhalen te zien zijn als storytelling-kubussen – doosvormige installaties in publieke ruimten zoals de nationale bibliotheek van Aruba – waardoor er interactie ontstaat tussen de verhalen en het publiek.
Dit is nog maar het begin. Rodriguez beschouwt het project als een meerjarige serie: een groeiend archief van verhalen uit de gemeenschap. ‘Daarom registreer ik elke stap,’ aldus Rodriguez. Het gaat haar om meer dan het tekenen – het gaat om de identiteit van de Arubaanse gemeenschap, en hoe ze zich hun erfgoed herinneren.
Tekst door Gyonne Zafira
Runo Hernandez
audiovisueel
Als autodidact verhalenverteller, fotograaf en archivist gebruikt Runo Hernandez onder andere fotografie en poëzie om verhalen van queer zwarte immigranten zicht- en hoorbaar te maken. Tijdens het ontwikkeljaar onderzocht Hernandez hoe een duurzaam archief te bouwen. Dat onderzoek startte bij bibliotheken en archieven in onder andere New York en de Harlem Library, met een duik in manuscripten en gesprekken met mensen ‘uit het veld’. ‘Ik wil leren over queer zwarte mensen in de geschiedenis, mensen zoals ik.’
Hernandez’ drive om zwarte queerness meer zichtbaarheid te geven ontstond vanuit een verlangen naar representatie van diens gemeenschap in relatie tot de geschiedschrijving. ‘Er zijn archieven die focussen op het algemene aspect van queerness, daarin is over witte mensen meer bekend. Mensen als ik zijn in de geschiedenis zeer onzichtbaar.’ Hernandez ging een maand op onderzoeksreis naar New York. Wat begon als een positief kunstproject over overleven, kreeg langzaamaan een andere toon. Het onderzoek was confronterend: het gebrek aan informatie, de onzichtbaarheid en het gevoel als observant machteloos te zijn. Het wekte gevoelens van woede op die Hernandez’ werk een andere richting gaf. ‘Ik maakte eerst visuele gedichten, maar begon meer te schrijven omdat ik richting wilde geven aan wat ik wist en voelde. Het kreeg de vorm van een manifest waarin ik mezelf als het ware als archief gebruik. Ik ga een gesprek aan met mezelf, een conversatie tussen heden en verleden.’
Naast schrijven aan de interne dialoog, wil Hernandez meer mensen uit de community portretteren. ‘Ik wil ze niet alleen fotografisch vatten, maar de essentie van de persoon. In archieven kom ik veel foto’s van mensen uit het verleden tegen. Ik zie hoe ze eruitzien, maar verder is er niets over ze bekend. Daar wil ik verandering in brengen met een andere manier van archiveren.' Hernandez leerde mensen kennen met ervaring in archiveren en deed waardevolle inzichten op. Daarbij werd duidelijk dat het niet alleen gaat om het verzamelen van materiaal, maar juist om het toegankelijk en ‘levend’ maken ervan. Daarvoor is meer nodig dan slechts het opslaan van foto’s: het vraagt om aanvullende context in tekst, geluid en beeld. ‘Ik wil archieven creëren waarin mensen zichzelf herkennen en weten: ik besta, ik word herinnerd.’ De beste plek om te starten? De eigen gemeenschap, in Rotterdam. Met kleine, concrete stappen bouwt Hernandez dit jaar aan een toekomst waarin queer zwarte geschiedenissen zichtbaar blijven. ‘Zo ontstaat een levend archief dat recht doet aan wie de mensen waren.’
Tekst door Priscilla de Putter
Sammy Does
vormgeving
Als make-upartiest begon Sammy Does een paar jaar geleden met het ontwerpen en 3D-printen van nagels waar je kippenvel van krijgt. Ze lijken rechtstreeks uit een post-apocalyptische sci-fi te komen – buitenaards, monsterlijk en perfect voor een ultiem fashion statement. Het duurde niet lang voordat ze op de cover van magazine CAP 74024 stonden, en verschillende modemerken en artiesten een opdracht plaatsten.
Geïnspireerd door videogames, fantasy, anime en manga, liet Does haar nagels uitgroeien tot spikes die de dragers veranderen in mutanten à la X-Men. Met deze 3D-geprinte en kunstig geairbrushte protheses verkent Does het ‘vloeibare lichaam’ en de mentale impact van lichamelijke transformaties. Daarbij benadrukt ze het belang van blijven spelen en fantaseren: ‘Het zijn tastbare versies van mijn droomwereld, ik ben een maker van werelden.’
In 2023 werden de spikes die ze in opdracht voor een film maakte in een tentoonstelling opgenomen in het Design Museum Den Bosch, dat het werk vervolgens aankocht. Dat zette Does aan het denken over het maken van autonoom werk. ‘Tot op dat moment kon ik alleen nog maar denken in opdrachtproducties en werd ik opgeslokt door al het werk daaromheen. Daarmee hield ik mezelf klein en afhankelijk van wat anderen willen.’ In een zoektocht naar haar eigen artistieke identiteit maakte ze een nieuwe serie spikes. Ze vertrok ermee naar New York voor een aantal netwerkmeetings en een fotoshoot met fotograaf Ashley Markle, waarbij Does zelf de regie had. ‘We hebben daar zo’n vette shoot gedaan met modellen met mutant spikes op hun hoofd. Ik voelde mijn geest gewoon groeien.’
Het volgende programmapunt was een studiereis naar Japan, waar Does veel inspiratie vandaan haalt. Ze kwam terug met een koffer boordevol beeldcultuur: van boeken van verschillende Japanse game-illustrators tot Wayne Barlow’s Guide to Extraterrestials en een boek over de pakken van Ultraman, de Japanse sciencefictionserie uit de jaren zestig. De grootste schat vond ze in een boekwinkel in Kyoto, waar ze een doos met een zeldzaam exemplaar vol Japanse woodblock prints uit 1920 kreeg aangereikt. ‘Ik heb staan huilen in die winkel, het was overweldigend: honderd kabukimaskers afgedrukt op schitterend papier waar zeeschelpen in verwerkt zitten.’
Terug in Nederland is Does eerst heel hard gaan opruimen: ‘Mijn brein zit vol, ik moet eerst fysieke ruimte maken voor die overload aan informatie en inspiratie. Daarna ga ik iets doen met die maskers. Dit is het begin om me zo vrij mogelijk te gaan voelen als maker.’
Tekst door Willemijn de Jonge
Souheila Chalabi
vormgeving
De in Amsterdam en Parijs wonende en werkende Souheila Chalabi is een multidisciplinaire kunstenaar die de afgelopen jaren heeft gewerkt aan het creëren van haar eigen wereld, een souk: een alternatieve voorstelling van de traditionele Noord-Afrikaanse en Midden-Oosterse markt. My Imaginary Souk begon als een afstudeerproject, een multimediale installatie waarin ze kritiek levert op de stereotype voorstelling van de Algerijnse identiteit in de westerse media. Via het ontwikkeljaar waarin ze onderzoek verrichtte, is het project uitgegroeid tot een gelaagd kunstwerk op het snijvlak van textielkunst, digitale media en storytelling.
‘Ik wilde een eerbetoon brengen,’ verklaart Chalabi. ‘Een eerbetoon aan het erfgoed en de beeldcultuur waarmee ik ben opgegroeid en ontdekken hoe deze zich ontwikkelen, veranderen en voortleven in steden en generaties.’ Wat begon als een verkenning via een 3D-model, mondde uit in een diepgaand visueel onderzoek naar souks en de werelden die erin vervat liggen. Chalabi reisde van de medina van Sfax in Tunesië naar de toeristenwinkels van Djerba, en naar de door immigranten gerunde buurtwinkels in Londen, Parijs en Amsterdam – ruimten die zijn vormgegeven door overlappende diaspora’s en culturele achtergronden, van Noord-Afrika tot Zuid-Amerika. ‘Ik wilde deze ruimten archiveren; niet alleen de voorwerpen, maar ook de texturen, de overdaad en de geluiden,’ aldus Chalabi. Het resultaat is een groeiende sensitivity database – een archief van hybriditeit, waar traditioneel erfgoed en traditionele cultuur samenkomen met moderne interpretaties. ‘In mijn werk probeer ik deze verzameling alledaagse voorwerpen te vertalen naar textiele werken en een modecollectie.’
Dit jaar werd een keerpunt in haar carrière. ‘Ik heb met een branding-strateeg en een 3D-ontwerper samengewerkt, mensen die me een nieuw perspectief op mijn werk hebben gegeven,’ aldus Chalabi. ‘Niet om modeontwerper te worden, maar om een coherente taal voor de souk te creëren. Een wereld waar mensen in kunnen binnenstappen.’
In de kern gaat het project om binding en representatie. Hoe eis je ruimte op voor jouw erfgoed, op je eigen voorwaarden? Hoe kan een kunstwerk of een collectie een plek van collectieve verbeelding worden?
‘Ik wil mijn eigen ruimte creëren, en een modemerk, die uitdrukt wat het betekent om tussen twee werelden te leven,’ aldus Chalabi. ‘Een visuele wereld creëren die herkenning, gemeenschap en vreugde biedt voor mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten – en daarbuiten.’
Tekst door Roxy Merrell
So-Yeon Kim
vormgeving
Interdisciplinair ontwerper So-Yeon Kim beweegt zich op de terreinen grafisch ontwerp, kunst en cultuur. Met haar werk wil ze de kijker meenemen op een beeldende en associatieve ontdekkingsreis vol verhalen, details en verrassingen. Dit doet ze in de vorm van boeken, installaties en soms met behulp van bewegend beeld. In 2022 behaalde Kim haar master aan de Werkplaats Typografie. Eén van haar docenten was Batia Suter. Ook in dit ontwikkeljaar weet Kim zich door deze Zwitserse kunstenares ondersteund. Kim: ‘Graag wilde ik mijn eigen beeldarchief uitbreiden en toespitsen, me richten op het verzamelen van beelden uit gedrukt materiaal, voornamelijk boeken en tijdschriften. En mijn interesse voor boeken, papier, druk- en bindtechnieken verkennen. Batia Suter, die zelf een omvangrijke beeldbank opzette, zou me hier veel over kunnen leren. Ik was vereerd toen ze mijn mentor wilde worden.’
Al tijdens haar opleiding ontstond bij Kim het idee voor het thema van haar archief: het lichaam als verleidelijke drager van taal, expressie en communicatie. Seductie, hunkering en verlangen zijn woorden waar ze momenteel veel over nadenkt. Kim: ‘Ik zie taal op zich al als een verleidelijk instrument voor menselijke expressie. Kijk naar alle rituelen rond verhalen vertellen met hun oorsprong in oude culturen. Maar onzorgvuldig gebruikte taal kan banaal worden en het verleidelijke, onuitgesproken mysterie vernietigen. Het lichaam dat zich uitdrukt is ook iets heel primitiefs, net als verlangen, maar hoe zit het met taal? Is dat ‘oer’ of een door mensen gemaakt systeem?
In mijn werk speel ik met visuele elementen op de grens tussen taal en niet-taal, dingen die niet helemaal passen in conventionele linguïstische categorieën maar toch als zodanig begrepen kunnen worden door de kijker, bijvoorbeeld gebaren en visuele symbolische vormen. Het eindresultaat van dit project wordt bij voorkeur een publicatie, maar ik wil mezelf ook verrassen, zien waar ik op uitkom als ik het gevoel heb dat het beeldarchief klaar is. Ik onderzoek nu verschillende maakprocessen, vooral op het gebied van boekproductie. Ook bezoek ik archieven en bibliotheken, zoals die van de Amsterdamse Rijksakademie van Beeldende Kunsten, en Sitterwerk en Andreas Züst in Zwitserland.’
Daarnaast is Kim bezig met verdere professionalisering. Werken aan haar website, met hulp van grafisch ontwerper en codeur Bram van den Berg, is daar onderdeel van. ‘Ik zie mijn website als een deur. Bezoekers kunnen vanuit de buitenwereld binnen komen om een glimp op te vangen van mijn praktijk, mijn werk en mijn creatieve identiteit.’
Tekst door Iris Stam
Stefan Boerkamp
vormgeving
Na de Design Academy Eindhoven legde Stefan Boerkamp zich toe op accessoireontwerp. Geen ringen of oorbellen, maar speculatieve, vaak multimediale objecten. Zijn ontwikkeljaar greep hij daarom aan om zijn praktijk uit te breiden richting film, een medium waarin storytelling, beeld, object en geluid samenkomen. ‘Film is voor mij het ultieme medium waarin elk detail telt. Daarmee wilde ik zelf experimenteren.’ Hij produceert daarom een korte film waarin object en verhaal elkaar versterken.
Dit jaar worstelde Boerkamp met de vraag of hij niet liever filmmaker zou zijn. Gaandeweg ontdekte hij het fysieke maken nodig te hebben om tot verhalen te komen. Zijn objecten zijn ‘verhalenvertellers’ op zichzelf. In opdracht werkte hij al op deze wijze: op een vraag reageerde hij met een verhalend ontwerp. Dit jaar verschoof zijn focus naar een groter geheel, waarin hij zijn specialisaties en fascinaties samenbrengt. Stap voor stap ontwikkelde hij een surrealistisch verhaal dat zich afspeelt in een wereld waar technologie als nieuwe natuur fungeert. ‘Ik ontwierp een gestileerde boom waaraan een artificiële vrucht groeit die zaad draagt, die gedachteloos wordt geconsumeerd door mijn personage.’ Een verwijzing naar de Bijbelse verboden vrucht én naar onze vanzelfsprekende technologieconsumptie.
Om zijn scenario te schrijven volgde hij lessen bij het Amsterdam Writing Collective. Ook verdiepte hij zich in siliconentechnieken (FX Prosthetics) tijdens een cursus aan de Delamar Academy in Londen. ‘Ik leerde er protheses maken, technisch en gespecialiseerd werk.’ De vraag of hij nu filmmaker, ontwerper of verhalenverteller is, beantwoordt hij steeds zekerder. ‘Een verhaal begint voor mij bij het object. Een lamp maken omwille van het object, daar ligt mijn interesse niet. Mijn ontwerp moet betekenis hebben én onderdeel zijn van een groter verhaal.’ Als production designer bouwt hij zo een wereld waarin objecten het narratief ondersteunen.
Boerkamp werkt autonoom, maar zoekt samenwerking als dat inhoudelijk iets toevoegt. Zo maakte hij met zijn vriendin – eveneens ontwerper – voor Design Museum Den Bosch cyborgs met gezichten uit de Pacific, als tegengeluid op stereotiepe robotbeelden. Voor het beschilderen van zijn siliconen vruchten kreeg hij advies van kunstenaar Esmay Wagemans. ‘Ik zocht geforceerd naar samenwerkingsmogelijkheden omdat dit bij mijn ontwikkeljaar hoorde. Gaandeweg zag ik beter waar een samenwerking waarde toevoegt, waardoor het mijn project daadwerkelijk verder helpt.' Hoewel hij iets achterloopt, liggen alle voorbereidingen voor de opnames van zijn film klaar: het was een jaar van leren en anticiperen. Zijn korte film wil Boerkamp tenslotte insturen naar filmfestivals. Het zaadje is geplant, nu is het wachten op de vruchten.
Tekst door Priscilla de Putter
Steffie La Haije
audiovisueel
Telkens weer een lichtpuntje. Dat is wat dit jaar Steffie Lahaije geeft. Geruime tijd werkte de editor en regisseuse volledig in opdracht van anderen. Tien jaar geleden bracht ze voor een filmfestival haar laatste eigen werk uit. ‘Nu mag ik als maker zelf weer eens opstaan, heb ik de ruimte om te schrijven en om me verder te ontwikkelen. Dat vier ik elke dag.’
Zoals er in het leven ups zijn, zo zijn er ook downs. Wat Lahaije wil uitdragen, is dat voor alle emoties plek mag zijn. ‘Het is menselijk om ook eens niet lekker in je vel te zitten. Gevoel is het centrale woord in mijn werk. Gevoelige thema’s bespreekbaar maken. Open praten over onderwerpen waar velen liever hun oren en ogen voor sluiten.’
Lahaije, nu 31, spreekt uit ervaring. Ze maakte een hoop mee in jaar jeugd en daarna. Haar documentaire Later als ik rijk ben, waar ze dit jaar aan begon, gaat over de bewustwording van leven in het nu, mentale gezondheid en wat erbij komt kijken als je jezelf een stabiel plekje op deze wereld wilt geven. Over de titel zegt ze: ‘Ik hoor dat zoveel mensen zeggen, op elke trede van de maatschappelijke ladder. Maar wat is “later”? En wat is “rijk”? Als je jong bent denk je dat je op je dertigste alles op orde hebt. Maar dat is bij de meesten helemaal niet het geval. In mijn documentaire richt ik me op vandaag. Hoe gaat het nú met mensen, wat geeft hen hoop, wat maakt hen angstig?’
Het ‘nu’ van Lahaije bestaat uit het afronden van het lastige papierwerk. ‘Met fondsen en potjes werken is nieuw voor mij. De begroting, het projectplan, de planning. Ik ben nogal een perfectionist, voor mij is het nooit af. De hulp die ik krijg is fijn. Anders zit ik over zes maanden nog te schrijven. Ook de begeleiding bij het schrijven voor de film zelf is prettig en leerzaam. Waarschijnlijk ga ik mijn coach ook vragen voor de personal branding. Dat heb ik nooit actief gedaan, omdat ik eerlijk gezegd een enorme hekel aan sociale media heb. Ook wil ik me ontwikkelen in onderzoek doen binnen journalistiek, feiten checken. En wil ik meer leren het opzetten van voorlichtingstours en campagnes. Ik ben nu op zoek naar enthousiaste vakmensen die graag hun kennis met me willen delen.’
Tekst door Iris Stam
Theetat Thunkijjanukij
vormgeving

Bij Theetat Thunkijjanukij draait het maken van replica’s minder om het creëren van perfecte kopieën en meer om het verkennen van de tastbare spanning tussen intentie en imperfectie. Vanuit zijn achtergrond in grafisch ontwerpen en drukken is hij gefascineerd door vermenigvuldiging – het proces waarbij één origineel wordt omgezet in vele, en de subtiele veranderingen die daarbij optreden.
‘De intentie is precisie, maar dingen veranderen door het proces. Ik houd van de spanning,’ stelt hij. ‘De charme zit hem in de complexiteit van de intentie. Je probeert het precies goed te krijgen – maar vanwege de instrumenten of het proces verandert er iets. Soms maar heel licht: als ik het niet zou zeggen, zou je het misschien niet eens merken, maar het is er wel.’
Het afgelopen decennium heeft Thunkijjanukij een intuïtieve, vakkundige aanpak ontwikkeld voor het produceren van replica’s van boeken. Zijn uitgaven – zorgvuldig gecureerd, gedrukt en met de hand gebonden – worden in kleine oplagen geproduceerd voor exposities, samenwerkingen en zijn eigen webwinkel. Wat begon als een nevenactiviteit is uitgegroeid tot een afzonderlijke artistieke praktijk. ‘Ik ben een soort deskundige op het gebied van kopiëren en het vervaardigen van replica’s,’ stelt hij. ‘Met die kennis weet ik precies hoe ik van één boek een replica moet maken.’
Dit jaar heeft hij zich gericht op de professionalisering: het omvormen van zijn eenmansdrukkerij in een zelfvoorzienende onderneming. Hij put inspiratie uit kleine lokale drukkerijen in Bangkok, plekken waar geen hiërarchie bestaat tussen een creatieve print en een experiment. Thunkijjanukij: ‘Ze zijn pretentieloos en worden door slechts een paar mensen gerund met een beperkt aantal instrumenten. Maar ze nemen alle soorten werk aan: onderzoekspublicaties, zakelijke boeken, tentoonstellingscatalogi, studentenscripties en afdrukken.’
In zijn businessplannen laat Thunkijjanukij zich leiden door hun geest van toegankelijkheid en nut. ‘Er wordt veel creatief werk gedrukt op deze plekken,’ verklaart hij, ‘maar niemand beschouwt hen als “artistieke drukkers.” Het is gewoon werk.’
‘Toen ik aan de kunstacademie studeerde, zag ik nooit een echte kunstafdruk. Alles kwam via reproducties, gekopieerd door docenten in copyshops, afgedrukt in zwart-wit, klein. Maar dat was de manier waarop we er toegang toe verkregen. Die aanpak – het informele karakter, het praktische aspect, het idee van drukken voor je collega’s en niet voor het algemene publiek – inspireerde me enorm.’
Duurzaamheid blijft echter een uitdaging. ‘Zelfs de meest succesvolle mensen met wie ik heb gesproken zeiden dat het niet echt mogelijk was om dit soort model in stand te houden zonder financiering door instellingen,’ merkt hij op. Desondanks laat hij zich niet afschrikken. ‘Ik denk altijd in series. Hoe je kunt repliceren, hoe je kunt produceren. Ik houd ervan als dingen worden vermenigvuldigd.’
Tekst door Roxy Merrell
Tomi Hilsee
architectuur
Architect van relaties en processen, zo is de rol van Tomi Hilsee te omschrijven. Tijdens zijn studie in Delft raakte hij gefascineerd door relaties binnen bouwprojecten. ‘Elk project gaat in de basis om relaties, om luisteren naar en reageren op elkaar.’ In zijn ontwikkeljaar onderzoekt hij hoe architectuur kan bijdragen aan versterkende en veerkrachtige samenwerkingen. Participatie en collectief eigenaarschap staan centraal, met bijzondere aandacht voor choreografie. Maar wat heeft dans hiermee te maken? Hilsee: ‘Ik hou ervan hoe choreografen omgaan met structuur en regels. Hoe ze een score (kader voor beweging) creëren, terwijl dansers daarop reageren om hun plek te vinden. Zo benader ik ook participatie in architectuur. We improviseren, maar werken niet willekeurig. We ontwerpen niet de eindvorm, maar een kader dat diverse vormen mogelijk maakt.’
Een plek waar Hilsee dit in de praktijk brengt, is de Doe-Het-Zelf-Werkplaats in de Rotterdamse Agniesebuurt: een gemeenschappelijk draaiende, gratis gedeelde werk- en leerplek. ‘Voor mij is dit een laboratorium, waar ik leer om verbinding te leggen tussen gemeente, lokale belanghebbenden, buurtbewoners en vrijwilligers bij de opbouw van een urban commons (stedelijk gemeengoed).’ De werkplaats bloeit, maar er blijft werk te doen. ‘We streven naar meer veerkracht en de kennis en betrokkenheid van nog meer mensen.’
Hij is halverwege zijn ontwikkeljaar: het drukste jaar van zijn leven. De beurs gaf ruimte voor onderzoek en experiment, al blijft persoonlijke reflectie een uitdaging. ‘Juist omdat mijn projecten collectief zijn, ligt de focus snel op gezamenlijke output.’ Voor Hilsee draait alles om proces en zijn aanpak valt op: hij werd gevraagd een ontwerp te maken voor W139 in Amsterdam. ‘Ze waren geïnteresseerd in het democratische proces van collectief ontwerpen en bouwen.’ Met acht mensen richtten ze symbolisch de Political Party for the Potato op, waarvoor ze een kantoor ontwierpen. Niet het eindresultaat, maar het proces stond centraal. ‘Het gaat erom samen te onderzoeken, te erkennen dat mijn problemen ook jouw problemen zijn, en andersom.’ Gedeelde waarden vertalen zich vervolgens naar fysieke elementen. ‘De één wil een bar, de ander een aardappelveld of nieuwe vloer. Die ideeën maken we concreet. Door dit te herhalen, zoals performers doen, worden we experts in elkaars behoeften.’
Onlangs bracht een mentor hem tot een waardevol inzicht. ‘Hoe betreed je een ruimte als mens met waarden, zonder te leiden met die waarden?’ Die vraag raakte iets. ‘We doen het samen, maar hebben daarin andere rollen. Ik neem bijvoorbeeld graag de leiding, dat voelt natuurlijk, maar is belangrijk om te benoemen. Pas dan kan er écht gedeeld leiderschap ontstaan.’
Tekst door Priscilla de Putter
Ülkühan Akgül
vormgeving

Multidisciplinair ontwerper Ülkühan Akgül, in 2023 afgestudeerd aan het Amsterdam Fashion Institute, is gefascineerd door kleding als drager van betekenis. Mode kan esthetisch zijn, een lust voor het oog, maar ook wrijving veroorzaken en dienen als politiek en lichamelijk instrument. Een kritisch medium dat aanzet tot nadenken. Dat laatste is wat Akgül vooral wil doen. In zijn artistieke praktijk, die zich beweegt tussen hedendaagse beeldende kunst, performance en digitale media en technologie, bevraagt hij, met een confronterende knipoog, de gevestigde normen en geeft hij ruimte aan identiteiten binnen de modewereld. Hij licht toe: ‘Ik leg de spanningen bloot rondom representatie, machtsstructuren en het lichaam, in relatie tot thema’s als afkomst, gender en seksualiteit. Dat vertaalt zich in mijn werk in tactiele, sculpturale vormen en provocerende beelden.’
‘In mijn huidige kunstproject Etnisch Profiteren richt ik me op diversiteit en inclusiviteit. Het is een visueel en modegericht onderzoek naar de manier waarop culturele identiteit wordt ingezet als economisch en symbolisch kapitaal. Met name binnen de creatieve sector, maar ook in corporate lifestyle. Ik stel vragen als: wie mag voordeel halen uit etniciteit? En wie wordt gereduceerd tot esthetiek, inspiratie of trend? Als een kamerplant, die telkens weer gefotografeerd wordt, omdat het zo mooi past in het inclusieve plaatje.’
De kamerplant, gevat in een creatie van kunstgras, is een van de looks in de line up van Akgüls show, die tijdens de Amsterdam Fashion Week in De Hollandsche Manege te zien zal zijn. ‘Alle twintig stukken brengen het narratief van mijn ontwikkeling als Nederlands-Turkse designer in beeld. De verhaallijn is inmiddels helder, de visuele ontwerpen zijn nagenoeg klaar, de collectie wordt nu genaaid door mijn team. Want kleding maken kan ik, daar hoef ik me niet verder in te ontwikkelen. Ik wil dit jaar gebruiken om mijn kennis te verdiepen op het gebied van performativiteit en scenografie en leren hoe ik mijn fysieke werk sterker kan laten doorwerken in digitale presentaties, zodat ik daarin nog veel meer diepgang kan creëren. Ik steek zo ontzettend veel op van mijn mentoren en de andere professionals die meewerken aan het project. Bijvoorbeeld over schoendesign en atmosfeer op een locatie. Maar ook over campagnebeelden maken en storytelling. Ik heb geleerd hoe ik goed kan verwoorden, zonder dat ik daar anderen pijn mee doe. Dat vind ik mooi. Het onderwerp is serieus, maar het hoeft allemaal niet zo boos. We mogen er ook best een beetje om lachen.’
Tekst door Iris Stam
Vera Yijun Zhou
cross-overs
Vera Yijun Zhou is net terug uit Shanghai, waar haar werk werd opgenomen in een groepstentoonstelling van privémuseum Tank Shanghai. Daar begon in 2024 ook haar ontwikkeljaar, na haar afstuderen aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in 2022. Hoewel beoogde samenwerkingen – met onder andere Nederlandse fotograaf Ruben Lundgren – niet verliepen zoals verwacht, kijkt Zhou tevreden terug. ‘De beurs gaf me de mogelijkheid om andere verhalen te horen en vast te leggen. Het leidde tot nieuwe inzichten.’ Die inzichten leidden tot nieuw werk, te zien in groepstentoonstellingen. ‘In Tank Shanghai, vanaf september in het Hexiangning Museum in Shenzhen en een solotentoonstelling in Verhalenhuis Belvédère in Rotterdam.’ Het is de kers op de taart van niet alleen haar onderzoeksjaar, maar van haar reis als maker en mens.
Al in Shanghai startte Zhou het online platform Mutual Office, bedoeld om kunstenaars en opdrachtgevers te koppelen. Dit jaar krijgt de website een update. Die heroriëntatie komt mede door gesprekken met Erik Kessels (KesselsKramer). ‘We spraken over mijn worsteling met online aanwezigheid en sociale media. Erik gaf ideeën over het vinden van een balans tussen commercieel werk en kunst.’ Inhoudelijk blaast Zhou nieuw leven in onderwerpen die vaak genegeerd worden, met bijvoorbeeld haar magazine AsianHow. ‘AsianHow is een poging om iets anders te tonen van Azië dan de westerse verwachtingen, door het authentieke dagelijkse leven in beeld te brengen. China is veel meer dan politiek en goedkope arbeid.’ Naar aanleiding van de publicatie werd ze gevraagd om 24 pagina’s te maken voor het magazine Granta, waarin ze China toont ‘voorbij het westerse modernistische kader.’
Een ander belangrijk thema in haar werk is migratie. Zo vertelt ze het verhaal van Che Chai Zee, een van de eerste Chinese immigranten in Rotterdam. ‘Ik digitaliseerde zijn familiegeschiedenis, in samenwerking met Zee’s achterkleinzoon. Samen gingen we op onderzoeksreis naar China, ruim een eeuw nadat Zee er vertrok.’ Zhou vond onverwachts andere familiearchieven én nieuwe vragen. Waarom vertrekken mensen? Waarom blijven sommigen en keren anderen terug? ‘Ik ontwikkel een nieuwe term voor mijn onderzoek: image migration. Hoe speelt beeld een rol bij het tonen van migratie?’ Vooraf aan dit jaar voelde Zhou zich meer manager van projecten, maar: ‘dit jaar kon ik echt in de rol van kunstenaar kruipen en was er tijd voor onderzoek.’ Uiteindelijk moet het allemaal samenkomen in een boek. Het liefst werkt ze daarvoor samen met Jiazazhi Press, een bekende Chinese uitgever van fotoboeken. ‘Ze zijn gevestigd in Ningbo, de plek waar de reis voor Che Chai Zee begon.’ Toeval bestaat niet.
Tekst door Priscilla de Putter
WEINBENAMI
architectuur
WEINBENAMI houdt zich bezig met het transformeren van ruimte. Sinds 2016 ontwikkelen de architecten en levenspartners Charles Weinberg en Shai Ben-Ami een artistieke praktijk op het snijvlak van ruimtelijke vormgeving en creative direction. ‘In ons werk onderzoeken we hoe gebouwde omgevingen onze perceptie en ideeën bepalen. Daarbij benaderen we ruimte als zowel onderwerp als medium.’
Het afgelopen jaar werd gekenmerkt door een cruciale verschuiving. Met behulp van de beurs richtten ze zich op het aanscherpen van hun identiteit en het ontwikkelen van een professionele bedrijfsstrategie. ‘We vonden het altijd moeilijk om precies te definiëren wat we doen, en sprongen heen en weer tussen kunstenaar en architect, experimenteel en multidisciplinair,’ blikt Weinberg terug. Uiteindelijk heeft het duo zichzelf gedefinieerd als een studio die zich richt op kritische ruimtelijke vormgeving en creative direction. ‘We ontwerpen met ruimte en doen onderzoek via ruimte.’
In hun recente werk onderzoeken Weinberg en Ben-Ami hoe gebouwde omgevingen orde simuleren terwijl ze diepere lagen van onzekerheid, uitsluiting of ongelijkheid verhullen. Ze noemen dit ‘de illusie van controle’. Een belangrijk moment in het afgelopen jaar was hun visuele veldonderzoek bij de Wereldexpo in Osaka. ‘De locatie fungeerde als een tijdelijke stad,’ herinnert Ben-Ami zich. ‘We raakten gefascineerd door de manier waarop bezoekers zich gedroegen in deze gescripte tussenruimte.’ De infrastructuur van de Wereldexpo, die op het kunstmatige eiland Yumeshima werd gehouden, bleek een soort ruimtelijke fictie te zijn – voorzien van de symboliek die men in theorie tegenkomt.
‘We zijn gefascineerd door het “decor” als ruimtelijke fictie: tijdelijk, maar bedoeld om echt te lijken en bepaalde perspectieven te presenteren,’ verklaart Ben-Ami. ‘Wij beschouwen wereldexpo’s als immense symbolische decors, waar macht, ideologie en controle worden opgevoerd.’ WEINBENAMI keerde terug vol grootse ideeën en nieuwe inzichten. Deze zullen uitmonden in een aanstaande publicatie – deels reisverslag, deels visueel essay, deels ruimtelijke theorie – en een ruimtelijke installatie in Parijs, die beide aan het publiek nieuwe ‘ruimten’ bieden om te verkennen.
Naast dit onderzoek hebben ze een langetermijnstrategie ontwikkeld voor de studio waarin ze hun positionering, publiek en kansen voor toekomstige samenwerking hebben verhelderd. ‘Een team van bijna tien mensen die ideeën uitwisselen en perspectieven vormgeven,’ zegt Weinberg over hun groeiende netwerk van mentoren en donateurs. ‘Het is een gezamenlijke inspanning geworden – en dat heeft onze manier van denken en creëren veranderd.’ Met nieuwe exposities, publicaties en immersieve omgevingen in het verschiet blijft WEINBENAMI de poreuze grens tussen realiteit en fictie onderzoeken.
Tekst door Roxy Merrell
Wouter Stroet
vormgeving
Wouter Stroet, in 2020 afgestudeerd aan het Sandberg Instituut, is een grafisch ontwerper, kunstenaar en activist die zich inzet voor een solidaire stad. Een plek met goede en gezonde huisvesting voor iedereen en parken en winkels met betaalbare producten op wandelafstand. Het sociaal engagement van Stroet ontstond toen hij op zijn achttiende in Amsterdam-Noord ging wonen. ‘In mijn wijk zag ik de impact die armoede op mensen kan hebben.’
De afgelopen jaren is hij zich steeds meer gaan bezighouden met sociale rechtvaardigheid, klimaatongelijkheid en de manier waarop steden zich ontwikkelen. ‘Ik ben bang dat de leefbaarheid voor bepaalde groepen minder wordt. Alles wordt volgebouwd. Wijken worden weliswaar vergroend, huizen verduurzaamd, maar de oorspronkelijke bewoners kunnen daar vaak niet meer wonen, omdat de huren omhoog schieten. In Barcelona onderzocht ik dit proces van eco-gentrificatie in een vroegere arbeidersbuurt. Onder de straatstenen ligt het strand heet dit project.’
Momenteel is Stroet actief in Amsterdam Nieuw-West, waar in de wederopbouwjaren vele huizen uit de grond werden gestampt. Zoals de Knijtijzerpanden in Slotervaart, die door de status van gemeentelijk monument niet gesloopt mogen worden. Met project Onze kinderen worden ziek van de schimmel richt Stroet zich op deze flats, die in 2014 wel gerenoveerd werden, maar niet grondig genoeg. ‘Huurders klagen, maar de woningcoöperatie doet weinig. Ik wilde het geluid van bewoners proberen te versterken door middel van visuele communicatie. In de omgeving plakte ik posters in de kleuren van de woningcoöperatie en met kreten waarmee vastgoedontwikkelaars deze upcoming buurt aanprijzen, bijvoorbeeld ‘364 beschimmelde woningen op steenworp afstand van de Sloterplas. Rochdale geef thuis’. Een name and shame-guerrillacampagne.’
Stroet werkte volgens het principe: ‘niets over ons, zonder ons’. Dit jaar kreeg hij de bevestiging van wat hij al wist: ‘Dat je langs moet gaan bij mensen. Als je wilt dat een sociaal project slaagt, moet je daar de tijd voor nemen. Het grootste compliment kreeg ik van een actieve bewoner die moe en hees was van het strijden. Ze zei: ‘Jij hoort mij. Door de posters hoef ik niet meer zo hard te schreeuwen.’
Door dit project positioneerde Stroet zich als ontwerper van directe, grafisch uitingen. ‘Filmmaken vind ik ook nog steeds urgent. Ik breid de campagne nu uit met videobeelden van bewoners. Ook voer ik gesprekken met Werker Collective. Hoe bewaar en presenteer ik mijn werk? Op dat vlak is nog veel te leren.’
Tekst door Iris Stam
Yannesh Meijman
audiovisueel
Yannesh Meijman is geboeid door het leven in de stad en hoe dat voortdurend in beweging is. De films en video’s die hij maakt en verzamelt laten vaak zien hoe de ruimtelijke vormgeving persoonlijke levens beïnvloedt. Ruimtelijke rechtvaardigheid – of onrechtvaardigheid – noemt hij het. Dat laatste gaat over zaken als woningnood, maar ook over de schrijnende randjes, zoals toegevoegde tussenleuningen op openbare bankjes om slapende zwervers te weren.
Zijn film Hotel Mokum over het kraken van een leegstaand Amsterdams hotel werd in 2023 vertoond op het IDFA en daarna in verschillende Nederlandse bioscopen. Die bioscoopvertoningen smaakten naar meer. Met steun van het Stimuleringsfonds lanceerde hij dit jaar de Kromme Stad, een reeks filmavonden en een online archief. Daarvoor heeft hij nu al een paar keer twee films bij elkaar gezocht die qua setting aan elkaar gelieerd zijn: een oude klassieker naast een film van nu, van een jonge nog onbekende maker.
‘Ik vind het vet om jonge makers een plek te geven in de bios,’ zegt Meijman. Bij de eerste editie in de Amsterdamse Uitkijk koos hij voor De toekomst is failliet uit 2024, waarin een bejaard echtpaar de afbraak van de sociale woningbouw in Rotterdam vastlegt. De tweede film was Pinkel uit 1982, waarin een vrijgevochten volksjongen uit diezelfde buurt uitgroeit tot rechtse huisvader. De locatie en vorm van de screenings wisselt, hij gaat graag op zoek naar het juiste decor. Zo draaide hij Babylon valt, een veertig jaar oude documentaire over een F-sider, in de gekraakte voetbalkantine van SC Overamstel.
Ondertussen legt hij een online archief aan van films over het stadsleven. ‘Ik hou ervan om oude beelden terug te kijken en er weer nieuwe bij te maken voor de komende generaties,’ zegt Meijman. Het kunstproject waaraan hij deze zomer werkte, sluit hierbij aan. Op een vroege ochtend in juni heeft hij een remake gemaakt van Ed van der Elskens one take uit Een fotograaf filmt Amsterdam. Dat kan allang niet meer vanuit een auto, zoals Van der Elsken begin jaren 80 deed. Maar op de Dam vond Meijman iemand met een bakbrommer die wel mee wilde doen. Samen monteerden ze er een verende tripod op, om de trillingen voor de analoge camera beheersbaar te houden.
Het resultaat ging in première op een expositie in W139. Dat dit niet de eerste remake is van het rijshot, deert hem niet: ‘Wat mij betreft ontstaat er een hele compilatie van dit soort hommages door de tijd heen, dat maakt het tijdsbeeld alleen maar interessanter.’
Tekst door Willemijn de Jonge
Talentontwikkeling
Als maker heb je ruimte nodig om te groeien. Want wanneer je ruimte krijgt om te experimenteren en risico's te nemen, ontdek je nieuwe kansen. Niet alleen voor de toekomst van je eigen praktijk, maar ook voor de ontwikkeling van het vakgebied of zelfs voor de maatschappij.
Alleen die ruimte ontstaat niet vanzelf. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie helpt daarom ontwerpers en makers op het gebied van vormgeving, architectuur en digitale cultuur om zich professioneel en artistiek te ontwikkelen. Dat doen we via regelingen en open oproepen, afgestemd op de verschillende fases van een creatieve loopbaan. Of je nu starter bent en net een kunstvakopleiding hebt afgerond, als autodidact een praktijk hebt opgebouwd of al een tijdje aan de weg timmert: het programma Talentontwikkeling zet jou en jouw ontwikkeling centraal.
Regeling en open oproepen
De Regeling Talentontwikkeling is bedoeld voor makers met een relevante opleiding in het hoger kunstonderwijs of hoger ontwerponderwijs. Heb je die niet, maar heb je je als maker wel zelfstandig ontwikkeld óf een mbo-ontwerpopleiding afgerond? Dan volg je een andere route die begint bij de Open Oproep Zelflerend Ontwerper. Ben je gevestigd op Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius of Sint Maarten? Dan is de Open Oproep Emerging Design Practices ABCSSS jouw startpunt.
Als je bent geselecteerd voor de Regeling Talentontwikkeling ontvang je niet alleen een beurs, maar ook begeleiding. We organiseren kennismakings- en themadagen die in het teken staan van persoonlijke groei en het uitbreiden van je netwerk. Het ontwikkeljaar wordt afgesloten met een gezamenlijk publiek presentatiemoment. Zo willen we eraan bijdragen dat de beurs werkt als een opstap: naar een sterkere praktijk, samenwerkingen, vervolgprojecten of nieuwe opdrachten. We zien onze ondersteuning niet als eindpunt, maar als het begin van iets groters.
Onderzoek naar tien jaar Talentontwikkeling
Om beter inzicht te krijgen in de werking van onze ondersteuning, liet het Stimuleringsfonds onderzoek doen naar de impact van de Regeling Talentontwikkeling. Welke bijdrage levert de regeling aan ontwerppraktijken en aan de vakgebieden vormgeving, architectuur en digitale cultuur? Uit het impactonderzoek komen effecten naar voren op zowel de korte als de lange termijn.
Wat gebeurt er nadat makers ruimte hebben gekregen om te experimenteren en zich te ontwikkelen? Veel deelnemers van het talentontwikkelingsprogramma bouwen na hun ontwikkeljaar verder aan hun praktijk, met bijvoorbeeld internationale residencies, tentoonstellingen en presentaties op toonaangevende podia.
















